Home     Biografie     Artikelen     Links     Contact     Wielerarchief

 


 
Terug naar overzicht columns

Hup Bob. (11 februari '08) 

Bob is boos. De wijze mannen van de schaatsbond hebben besloten de Olympisch kampioen tien kilometer niet direct af te vaardigen naar het WK Afstanden. Hij moet ervoor strijden in een skate-off, omdat de commissie de voorkeur geeft aan Mark Ooijevaar, een nobele onbekende die één keer elf honderste harder heeft gereden dan Bob. In de B-groep nog wel. De Jong mag dan de beste Nederlander in het World Cupklassement zijn, de Olympisch kampioen en viervoudig wereldkampioen: hij zal moeten knokken voor zijn plekje. Omdat, aldus Chef Skate-Off Wopke de Vegt: ,,Jongens als Carl Verheijen, Tom Prinsen en Ted-Jan Bloemen (???) ook een aardige staat van dienst hebben.’’

Wat is dat toch met Bob? Waarom raakt hij altijd in dit soort situaties verzeild? Volgens hemzelf is het een complot. Tegen hem, als eenling. De grote commerciële ploegen worden bevoordeeld, De Jong is het kind van de rekening. Maar Bob is altijd het kind van de rekening. Zelfs als hij wint. Hoe is het mogelijk dat de man die de Olympische tien kilometer wint, geen klein contractje heeft bij een ploeg? Laat staan een dik salaris bij een topteam? Hoeveel oranjer kan een gouden medaille zijn dan die op de tien kilometer? De winnaar van een oerhollandse afstand in een oerhollandse sport kreeg niet eens een contractverlenging bij zijn toenmalige ploeg. Dit jaar heeft Bob zich aangesloten bij de Duitse selectie. Gefinancierd door een paar kleine sponsoren en zijn eigen spaargeld. Hij woont in een jeugdhotel. Eet bruine bonen in tomatensaus in de gezamenlijke keuken, temidden van rondreizende pubers en backpackers uit het Oostblok. Hij zal zich zijn carrière als Olympische held ongetwijfeld anders hebben voorgesteld.

Maar Bob is geen held. Bob is een schlemiel. Hij is geen Sven Kramer. Geen Gerard van Velde. Zelfs geen Jan Bos. Hij bezit geen imposante borstkas, geen kont waar de vrouwen massaal voor in zwijm vallen, geen lonkende bruine lokken. Als Bob zijn rits opentrekt na de race komt er een iele kippenborst tevoorschijn. Wanneer hij praat, dan slist hij een beetje. En hij dweilt over het ijs als een haperende Zamboni met botte ijzers, een zwabberend achterwiel en een kapot knipperlicht. Bovendien huilt Bob altijd. Als hij wint. Als hij verliest. Als schaatser, als danser in Dancing with the Stars. Als deelnemer aan Peking Express. Altijd. Een keertje is leuk. Aandoenlijk. Maar de moeder van Bambi blijft niet doodgaan. Dat gesnotter, die trillende lip, die waterige oogjes: het houdt een keer op.

Hij wordt gepiepeld, aan één stuk door. Door sponsoren, door zijn collega’s, door zijn trainers, door de schaatsbond. Het publiek en de media interesseren zich niet voor zijn sores. Wij vergapen ons aan de Kramers, de Wüsten en de Bossen. Ondertussen vecht Bob zijn oorlog tegen de rest van de wereld, om toch op het WK Afstanden aanwezig te zijn. Hij zal het gevecht ongetwijfeld verliezen. Maar stiekem hoop ik dat Bob een keertje wint. Tegen beter weten in, ik weet het. Maar toch. Ik hoop het. Hup Bob.

 

Thijs Zonneveld - Sassenheim - info@thijszonneveld.com - Mobiel: +31 6 50 41 35 49