Home     Biografie     Artikelen     Links     Contact     Wielerarchief

 


 
Terug naar overzicht columns

Michael Boogaards (april '08) 

Een ventje was hij nog maar. Eénentwintig, blonde krullen en een mond vol tanden waar zijn tandarts trots op moet zijn geweest. Zijn accent verraadde dat hij nog niet vaak buiten Den Haag en omstreken was geweest. Michael Boogaards heette hij. Of zoiets. Booger, Boogaerts: het duurde even voordat het grote publiek erachter kwam dat er weer een Nederlander was die zich kon meten met de internationale wielerelite. Nederlanders hoorden halverwege de jaren negentig sowieso niet tot de hoogvliegers van het peloton. Bij toeval of hoge uitzondering reed er eens een oranjeklant in de vuurlinie, maar over het algemeen gingen de Batavieren ten onder in het geweld van de Italianen en de Spanjaarden. Vooral als de weg omhoog liep. Ze werden simpelweg afgeslacht, hoe dapper ze ook tegenstand boden. Het leek wel alsof de Romeinen een toverdrank hadden. Ze kenden de geheime ingrediënten voor een eindeloze serie overwinningen op de slagvelden tussen Luik en Bastenaken. Tussen Milaan en San Remo. En op de Gallische wegen van de Tour.

Pas na een jaar of drie spartelen kwam Michael Boogaards bovendrijven. Hij won een rit in de Tour van 1996, lachte zijn tanden bloot en was vertrokken voor een carričre als eenzame strijder. Als lieveling van het publiek. Icoon van een ploeg. Idool van een generatie. Michael Boogaards werd Michael Boogerd. Eenzame strijder tegen een overmacht van buitenlandse klimmers. Zodra er bergen of heuvels in zicht kwamen, was Boogerd in zijn eentje het dorpje dat dapper weerstand bood tegen de Romeins-Spaanse overheersing. Hij vocht altijd. Hij verloor bijna even vaak. Hij boog het hoofd, maar hij brak nooit. Zijn lijst met ereplaatsen deed zelfs een beetje bizar aan. Altijd was hij erbij in de finale. Onverzettelijk. Onvermijdelijk. Boogerd was geen coureur. Hij was een gegeven.

Maar ook aan gegevens komt een einde. Zijn aankondiging van het einde van zijn carričre schokte de Nederlandse wielerwereld. Zijn fiets ging de schuur in. Definitief. Wat moesten we zonder Boogie? Voor wie zouden we nu moeten juichen in de finales van Luik, van de Amstel, van Lombardije en van het Wereldkampioenschap? Voor de Italianen? Voor de Spanjaarden? De Oostblokkers of de Australiërs?

Het liep anders. Boogerd had zijn fiets nog niet eens naar de schuur gereden, of zijn opvolgers reden al de huiskamer in via het scherm van de televisie. Van alle kanten komen ze, de jonge Nederlanders. Een invasie is het. De Romeinen weten niet wat ze overkomt. Gesink, Dekker, Mollema, Maaskant, Langeveld en Terpstra: we kloppen zo hard op de poorten van Rome dat de aarde ervan trilt.

En Boogerd? Die is niet meer nodig. Geen plek, zeiden ze bij de ploeg waar hij zijn hele loopbaan zijn ziel voor uit het lijf reed, toen hij vroeg of ze niet nog een ploegleider of een meestertacticus nodig hadden. Verdrietig droop hij af. Bij de sponsor vonden ze het zo zielig dat ze hem nog wel een baantje bij de bank wilden aanbieden. De laatste restjes van zijn stralende lach verdwenen van zijn lippen. Hij zag zichzelf al zitten op het call-center van de nationale hypothekenboer.

,,Hallo, u spreekt met Michael Boogerd, de oud-wielrenner. Mag ik u attenderen op onze hypotheek met zeer gunstige renteaflossing?’’ ,,Nee. Geen interesse. Wilt u mij niet storen met dit soort onzin? Goedendag, meneer Boogaards.’’ Tuut-tuut-tuut.

Thijs Zonneveld - Sassenheim - info@thijszonneveld.com - Mobiel: +31 6 50 41 35 49