|
Terug naar overzicht
columns
Overloper
Ik was twaalf toen Dennis vertrok bij Ajax. Twaalf en
ontroostbaar. Hoe kon hij? Had hij niet hetzelfde
roodwitte hart als ik? Als al die supporters? Wat kon er
in hemelsnaam mooier zijn dan voetballen voor Ajax?
Bergkamp stak een verhaal af over een nieuwe uitdaging
en een jongensdroom die uitkwam. Hij bedankte iedereen
die hem altijd gesteund had en sprak van een geweldige
tijd die hij achter de rug had. Ik vond hem een
overloper. Een verrader.
Natuurlijk is Dennis Bergkamp geen uitzondering. Er
vertrekken ieder jaar honderden spelers naar grotere
clubs. Dat schijnt normaal te zijn. Ze zeggen dat het
erbij hoort. Dat er een tijd van komen is, en een tijd
van gaan. De spelers trekken er een gezicht bij alsof
zij er ook niets aan kunnen doen. Alsof ze er niet zelf
voor hebben gekozen om hun club te verlaten. Alsof ze
zijn gedwongen door een hogere macht om de club van hun
leven achter te laten als een treetje lege bierblikjes
na een avondje zuipen.
Ze bedanken alles en iedereen. De supporters, de
trainers, de fysiotherapeuten, de terreinknecht en de
w.c.-juffrouw. Ze zeggen dat ze een ‘geweldige tijd’
hebben gehad. Ze spreken over ‘tijd voor een nieuwe
uitdaging’ en ‘een jongensdroom die uitkomt’.
Zoetgevooisde volzinnen over ‘een speciaal plekje in
mijn hart’ en ‘terugdenken met een traantje in mijn
ooghoek’ worden uitgesproken met een snik in de stem.
Stelletje overlopers.
De teleurgestelde mening van het publiek ligt vrijwel
altijd klaar. Verpakt in harde woorden, altijd voorradig
en altijd dezelfde. Als taaie bokkenpootjes in de
koektrommel van oma, die tussen je tanden blijven hangen
en waarvan de stoffige smaak nog niet is weg te spoelen
met tien liter Fristi. Spelers die weggaan zijn
geldwolven, hebben geen hart voor de club en hoeven er
niet op te rekenen dat ze ooit nog welkom zijn. Rot maar
op met je centen. Met je dure auto en je nog duurdere
vrouw. Laat je club maar in de steek. Laat ons maar
verzuipen.
Toen ik twaalf en ontroostbaar was, beloofde ik nooit
ergens weg te gaan. Natuurlijk bedoelde ik daarmee dat
ik nooit weg zou gaan bij Ajax. Dat bleek een ietwat te
positieve inschatting van mijn eigen voetbalkwaliteiten
te zijn. Bij Ajax ging ik vooral niet weg omdat ik er
nooit ben gekomen. Maar afgezien daarvan bleek mijn
belofte niet veel waard. Als wielrenner veranderde ik
meer van ploeg dan van onderbroek, en mijn korte
carričre als journalist staat ook in het teken van
‘nieuwe kansen’ en ‘uitdagingen’.
Ineens begrijp ik waarom Dennis wegging. Hoe hij zich
voelde.
Dit is mijn laatste column voor deze krant. Ik wil
iedereen bedanken, ik heb een geweldige tijd gehad en
deze krant zal altijd een speciaal plekje in mijn hart
houden.
Het is officieel. Ik ben een overloper.
|