Terug naar overzicht
columns Pannekoeken voor de kinderen (31
maart '08)
Het
moest een keer gebeuren. Na drie jaar van absolute
dominantie verloor de koning van de sprint zijn kroon.
Theo Bos is niet langer wereldkampioen sprint. In
Manchester was de Britse gorilla Chris Hoy te sterk in
de kwartfinale. Ook op de keirin werd hij kansloos
uitgeschakeld in de voorrondes. Bos moest zijn
abonnement op de regenboogtrui opzeggen. Hij had er geen
beter moment voor kunnen uitkiezen.
Het
gaat dit jaar namelijk helemaal niet om het WK. Zo’n
regenboogtrui, die is leuk voor in de garderobe, maar
daar had Theo er al genoeg van. Alles draait dit jaar om
de Olympische Spelen. Zijn broer, schaatser Jan Bos,
verwoordde het een paar jaar geleden als volgt: ‘De
eerste pannenkoeken zijn voor de kinderen’. En zo is het
maar net. In een olympisch jaar gaat het om de
olympische lauwerkrans. Niet om wereldbekers, Europese
titels en zelfs niet om wereldkampioenschappen.
Theo
Bos weet het. Vier jaar geleden, in Athene, werd hij
tweede – op een zucht van het goud. Op een zucht van
onsterfelijkheid. Hij besloot ter plekke dat de meest
blinkende medaille in Peking voor hem was. Ten koste van
alles en iedereen. Zelfs al zou hij er zijn linkerbeen
voor moeten afstaan, of zijn moeder.
Sprinten op de baan, dat is schaken. Natuurlijk: zonder
een paar monsterlijke dijbenen en een stierenkont kom je
er niet aan te pas. Maar winnen doe je niet alleen met
je benen. Winnen doe je vooral met je hoofd. Met
tactische foefjes. Sprinters rijden met honderd-en-één
verschillende scenario’s in hun hoofd over de baan. Van
kop af? Of juist in het wiel? Van ver aangaan? Of
wachten tot het laatste moment? Wat doet de tegenstander?
Bos is
er een grootmeester in. Hij schaakt als Kasparov. Alleen
wel met zeventig kilometer per uur, en niet roerloos
achter een bord.
Maar de
concurrentie zit niet stil. Bos is de standaard. De
prooi waarop ze allemaal jagen. Al zijn races van de
afgelopen jaren zijn kapot geanalyseerd door zijn
tegenstanders. Ze kennen zijn trucjes, zijn
versnellingen, zijn sterke punten en zijn zwaktes. Bos
heeft een nieuw repertoire van tactische zetten moeten
verzinnen, zodat hij zijn concurrenten alsnog kan
verrassen. Nieuwe foefjes om de jagende meute opnieuw
een stap voor te zijn.
Maar
hij gebruikt ze niet - nóg niet. Pas in Peking gaat de
trucendoos open. De afgelopen week in Manchester
strooide hij slechts zand in de ogen van zijn
tegenstanders. Als Klaas Vaak in zijn beste dagen. Hij
trok een rookgordijn op. Liet zich ‘verrassen’ op zwakke
punten die stiekem helemaal geen zwakke punten zijn. Hij
suste ze in slaap, de Britten, de Australiërs, de
Duitsers en de Fransen. Straks, in Peking, worden ze
wakker in een oranje nachtmerrie.
Het WK
was een kinderpartijtje, waarop de eerste pannenkoeken
werden uitgedeeld. Zijn concurrenten smulden ervan, aten
hun buik rond en dommelden tevreden in slaap. Bos kwam
er alleen om zijn trui in te leveren. Van de
pannenkoeken bleef hij af. Hij bewaart zijn trek voor de
gouden spekpannekoek, die in augustus wordt geserveerd.
Toen hem gevraagd werd hoe hij zich voelde na zijn
nederlaag, keek hij recht in de camera en zei: ,,Ontgoocheld.’’
Hij kon zijn lachen bijna niet inhouden.