Home

Biografie

Nieuws

Uitslagen

Programma

Foto's

Links

Gastenboek

Contact

24 februari 2006 (Uit de oude doos van het Leidsch Dagblad, nieuwjaar 2006)  

De Belangrijkste Onbelangrijke Koers van het Jaar

Negen op de tien mensen denkt bij oudjaarsdag aan oliebollen, appelflappen, champagne en een al dan niet geslaagd feest met vrienden of familie. Ik niet. De laatste dag van het jaar doet bij mij de ogen twinkelen wegens een geheel andere reden: de Oliebollenrit, elk jaar georganiseerd op het clubparcours van Wielervereniging De Bollenstreek. Het moet een traditie zijn, die inmiddels al eeuwenoud is, getuige de ontelbare heroïsche anekdotes die (oud-)deelnemers elk jaar weer uit de diepste spelonken van hun herinneringen naar boven halen. Zo werd de editie van 1963 schijnbaar verreden in dergelijk koud weer, dat de deelnemers werden geëscorteerd door gewapende motorrijders, als bescherming tegen de ijsberen. En in 1917 waren de hagelstenen zo groot, dat slechts één deelnemer aan de dood wist te ontsnappen door te schuilen in een konijnenhol. Hij werd overigens gediskwalificeerd, omdat schuilen in holen toentertijd nog verboden was volgens de reglementen.

Het waarheidsgehalte van deze en andere verhalen is dan misschien twijfelachtig laag; ze zeggen meer dan genoeg over de importantie van de Oliebollenrit. Een koers midden in het winterseizoen, geen andere wedstrijd op de kalender in maanden: iedereen staat te popelen. Dat de winnaar slechts wordt beloond met een paar oliebollen en de teruggave van zijn inschrijfgeld is van secundair belang, er staat immers eeuwige roem en eindeloos prestige op het spel. Deze koers is niet te koop, hoe vaak dat ook wordt geprobeerd. Ik spreek namens het hele peloton als ik zeg dat het de Belangrijkste Onbelangrijke Koers van het Jaar is. Met afstand.

Het was al enige tijd geleden dat ik nog een Oliebollenrit had gereden. Oud en nieuw vierde ik de afgelopen jaren met een zacht mousserende champagne en een breuk in mijn hart aan de Franse Côte d'Azur. Knarsetandend. Oudjaar zonder Oliebollenrit voelde als Sinterklaas zonder Zwarte Piet, de Kerstman zonder Rudolph en Bert zonder Ernie bij elkaar.

Dit jaar was de motivatie derhalve dubbel zo groot. Wekenlang had ik 's avonds moeite om in slaap te komen en naarmate de Dag des Oordeels naderde, begon ik meer en meer vreemde zenuwtics te vertonen. Zo had ik mijn nagels afgekloven tot op het bot van mijn vingerkootjes, begon ik te stotteren en barstte ik van tijd tot tijd uit in Gilles de la Tourette-achtige scheldkanonnades. Gezonde wedstrijdspanning, noemt men dat.

Zaterdagochtend werd ik om een uur of zes wakker. Ik had hooguit een uur of drie onvast geslapen, dromend van een glorieuze solo. Toen ik de gordijnen opentrok en constateerde dat een dikke witte sneeuwdeken de Bollenstreek had getransformeerd tot Noord-Siberië, sprong ik een gat in de lucht. Eindelijk. Apocalyptische omstandigheden! Deze Oliebollenrit zou de boeken ingaan als een historische. Dit is waar de mannen zich van de jongens zouden onderscheiden.

Toen ik me die middag om twee uur aan de startlijn opstelde, was ik de enige. Bibberend van de kou keek ik om me heen. Niemand. De Belangrijkste Onbelangrijke Koers van het Jaar bleek te zijn afgelast. Te koud. Te glad. Ik kookte van woede. Mijn kans op heldendom was gevlogen. Ik probeerde op het parcours te spugen om mijn afkeer voor zoveel lafheid te laten blijken. De klodder bevroor nog voordat hij mijn kin gepasseerd was en bleef als een ijspegel in mijn vlasbaardje hangen. Verdoofd door de kou en de teleurstelling fietste ik terug naar huis, waar ik de rest van de dag naar de dooiende sneeuw staarde. Mijn moeder trachtte mijn depressie te verjagen door me een oliebol aan te bieden. Hij smaakte bitter en bleef achter mijn huig hangen toen ik hem doorslikte. Als een brok in mijn keel. 

 
 
15 februari 2006  
Het is zover! Na een paar maanden survival in het koude Nederland is Thijs vanochtend vroeg vertrokken naar Santander om aldaar de verkleumde ledematen te warmen aan de eerste zonnestralen. De komende weken zullen in het teken staan van een zoektocht naar een appartement, trainen in de bergen en een ploegpresentatie. De eerste wedstrijden dienen zich in maart aan: 5 maart de Aiztondo Klasika gevolgd door de Vuelta a Alicanta.
14 februari 2006 José in de Kopgroep (Column in het Leidsch Dagblad, eind januari)  

Sinds een week of twee weet ik het zeker: ik ga naar Spanje. Naar Santander om precies te zijn. Gezien het feit dat de gemiddelde Spanjaard nóg slechter Engels schijnt te spreken dan de gemiddelde Fransman (een prestatie op zich) en ik in het Spaans niet veel verder kwam dan "Adíos amigo" en "Hasta la vista", heb ik een cursus aangeschaft.

Dientengevolge breng ik nu het grootste deel van de dag door met een koptelefoon op mijn hoofd en een map vol met Spaanse lessen op mijn schoot. Langzaam spreek ik de aardige mevrouw en meneer van de cd na. Als zij een biertje bestellen, bestel ik er één en als ze hun namen spellen bij het hotel, spel ik met ze mee. Miranda en José heten ze en het zijn binnen twee weken mijn beste vrienden geworden. Alles weet ik van ze. De namen van hun kinderen, 's mans voorkeur voor een eitje bij het ontbijt en dat ze op huwelijksreis naar 'Holanda' zijn geweest. Waar ze overigens Madurodam hebben bezocht en haring hebben gegeten in een kustplaats met een onuitspreekbare naam (Skèffeninkè). Haring met uitjes. Rauw, net als die rare Hollanders.

De laatste dagen leef ik dubbel. Naast mijn eigen, uitermate saaie leventje leef ik dat van Miranda en José. Intens verdrietig ben ik als ze in les 8 (José en zijn huisdieren) hun kanarie (Paco) verliezen. De zenuwslopende zoektocht naar het verloren paspoort van José (José op vakantie, les 11) heeft me slapeloze nachten bezorgd. En weet u nog, die keer dat José boodschappen ging doen op de markt van Barcelona (José gaat naar de markt, les 3). Zoete herinneringen.

Echter, onderhand begint de tijd te dringen. Over een week of twee vertrek ik naar Spanje en hoe interessant het wel en wee van Miranda en José ook is; ik mis nog een hoop taalkennis, die ik nodig zal hebben in Santander. Natuurlijk is het handig dat ik appels, peren en toiletpapier kan kopen in de supermercado, dat ik het kamermeisje kan uitleggen dat het doucheputje verstopt zit en het is bovendien van essentieel belang dat ik weet wat een ventilatorriem (les 5, José in de garage) in het Spaans is. Echter, de wedstrijden beginnen voordat ik het weet, en zoals het er nu voorstaat staat deze kaaskop met zijn mond vol tanden, zodra het startschot gelost is. Ik heb het cursusboek inmiddels een keer of twintig wanhopig van voor naar achter doorgespit, maar een aflevering die me de basiskennis van Spaans in het peloton leert, heb ik niet gevonden. José aan de telefoon, José in de apotheek, José op de camping, José leert vissen, Miranda in de keuken (Spanjaarden liggen nog een emancipatiegolfje of drie achter), José achter de computer en ja, zelfs José doet belastingaangifte; José is alom aanwezig, behalve in het wielerpeloton.

De paniek slaat toe. Ik zie mezelf al rijden in het Spaanse peloton over een paar weken: niet in staat te reageren als mijn collega's me waarschuwen voor een auto, rotonde of dranghek. Spookbeelden verschijnen op mijn netvlies: ik zie mezelf linksaf slaan, terwijl de rest van het peloton lachend naar rechts gaat. En het ergste: hoe moet ik in godsnaam die Spaanse wieltjesplakker in het laatste wiel van de kopgroep duidelijk maken dat hij de mismaakte zoon van een prostituée is en dat ik hem zijn faecaliën laat eten als hij geen kopwerk doet? Waar is de les José in de kopgroep?

En zo, zittend in mijn eigen huis, de vertrouwde Nederlandse regen tikkend tegen de ramen en Frans Bauer op de radio, krijg ik een brok in mijn keel en een knoop in mijn maag. Heimwee. En ik ben nog niet eens weg.

 

Nieuwsindex 2006

Nieuwsindex 2005

Nieuwsindex 2004

Nieuwsindex 2003