|
De Belangrijkste Onbelangrijke
Koers van het Jaar
Negen op de tien mensen denkt bij
oudjaarsdag aan oliebollen, appelflappen, champagne en een al
dan niet geslaagd feest met vrienden of familie. Ik niet. De
laatste dag van het jaar doet bij mij de ogen twinkelen wegens
een geheel andere reden: de Oliebollenrit, elk jaar
georganiseerd op het clubparcours van Wielervereniging De
Bollenstreek. Het moet een traditie zijn, die inmiddels al
eeuwenoud is, getuige de ontelbare heroïsche anekdotes die
(oud-)deelnemers elk jaar weer uit de diepste spelonken van hun
herinneringen naar boven halen. Zo werd de editie van 1963
schijnbaar verreden in dergelijk koud weer, dat de deelnemers
werden geëscorteerd door gewapende motorrijders, als bescherming
tegen de ijsberen. En in 1917 waren de hagelstenen zo groot, dat
slechts één deelnemer aan de dood wist te ontsnappen door te
schuilen in een konijnenhol. Hij werd overigens
gediskwalificeerd, omdat schuilen in holen toentertijd nog
verboden was volgens de reglementen.
Het waarheidsgehalte van deze en
andere verhalen is dan misschien twijfelachtig laag; ze zeggen
meer dan genoeg over de importantie van de Oliebollenrit. Een
koers midden in het winterseizoen, geen andere wedstrijd op de
kalender in maanden: iedereen staat te popelen. Dat de winnaar
slechts wordt beloond met een paar oliebollen en de teruggave
van zijn inschrijfgeld is van secundair belang, er staat immers
eeuwige roem en eindeloos prestige op het spel. Deze koers is
niet te koop, hoe vaak dat ook wordt geprobeerd. Ik spreek
namens het hele peloton als ik zeg dat het de Belangrijkste
Onbelangrijke Koers van het Jaar is. Met afstand.
Het was al enige tijd geleden dat
ik nog een Oliebollenrit had gereden. Oud en nieuw vierde ik de
afgelopen jaren met een zacht mousserende champagne en een breuk
in mijn hart aan de Franse Côte d'Azur. Knarsetandend. Oudjaar
zonder Oliebollenrit voelde als Sinterklaas zonder Zwarte Piet,
de Kerstman zonder Rudolph en Bert zonder Ernie bij elkaar.
Dit jaar was de motivatie
derhalve dubbel zo groot. Wekenlang had ik 's avonds moeite om
in slaap te komen en naarmate de Dag des Oordeels naderde, begon
ik meer en meer vreemde zenuwtics te vertonen. Zo had ik mijn
nagels afgekloven tot op het bot van mijn vingerkootjes, begon
ik te stotteren en barstte ik van tijd tot tijd uit in Gilles de
la Tourette-achtige scheldkanonnades. Gezonde wedstrijdspanning,
noemt men dat.
Zaterdagochtend werd ik om een
uur of zes wakker. Ik had hooguit een uur of drie onvast
geslapen, dromend van een glorieuze solo. Toen ik de gordijnen
opentrok en constateerde dat een dikke witte sneeuwdeken de
Bollenstreek had getransformeerd tot Noord-Siberië, sprong ik
een gat in de lucht. Eindelijk. Apocalyptische omstandigheden!
Deze Oliebollenrit zou de boeken ingaan als een historische. Dit
is waar de mannen zich van de jongens zouden onderscheiden.
Toen ik me die middag om twee uur
aan de startlijn opstelde, was ik de enige. Bibberend van de kou
keek ik om me heen. Niemand. De Belangrijkste Onbelangrijke
Koers van het Jaar bleek te zijn afgelast. Te koud. Te glad. Ik
kookte van woede. Mijn kans op heldendom was gevlogen. Ik
probeerde op het parcours te spugen om mijn afkeer voor zoveel
lafheid te laten blijken. De klodder bevroor nog voordat hij
mijn kin gepasseerd was en bleef als een ijspegel in mijn
vlasbaardje hangen. Verdoofd door de kou en de teleurstelling
fietste ik terug naar huis, waar ik de rest van de dag naar de
dooiende sneeuw staarde. Mijn moeder trachtte mijn depressie te
verjagen door me een oliebol aan te bieden. Hij smaakte bitter
en bleef achter mijn huig hangen toen ik hem doorslikte. Als een
brok in mijn keel.
|
|
|
Sinds een week of twee weet ik het zeker: ik ga
naar Spanje. Naar Santander om precies te zijn. Gezien het feit
dat de gemiddelde Spanjaard nóg slechter Engels schijnt te
spreken dan de gemiddelde Fransman (een prestatie op zich) en ik
in het Spaans niet veel verder kwam dan "Adíos amigo" en "Hasta
la vista", heb ik een cursus aangeschaft.
Dientengevolge breng ik nu het grootste deel van
de dag door met een koptelefoon op mijn hoofd en een map vol met
Spaanse lessen op mijn schoot. Langzaam spreek ik de aardige
mevrouw en meneer van de cd na. Als zij een biertje bestellen,
bestel ik er één en als ze hun namen spellen bij het hotel, spel
ik met ze mee. Miranda en José heten ze en het zijn binnen twee
weken mijn beste vrienden geworden. Alles weet ik van ze. De
namen van hun kinderen, 's mans voorkeur voor een eitje bij het
ontbijt en dat ze op huwelijksreis naar 'Holanda' zijn geweest.
Waar ze overigens Madurodam hebben bezocht en haring hebben
gegeten in een kustplaats met een onuitspreekbare naam
(Skèffeninkè). Haring met uitjes. Rauw, net als die rare
Hollanders.
De laatste dagen leef ik dubbel. Naast mijn
eigen, uitermate saaie leventje leef ik dat van Miranda en José.
Intens verdrietig ben ik als ze in les 8 (José en zijn
huisdieren) hun kanarie (Paco) verliezen. De zenuwslopende
zoektocht naar het verloren paspoort van José (José op vakantie,
les 11) heeft me slapeloze nachten bezorgd. En weet u nog, die
keer dat José boodschappen ging doen op de markt van Barcelona
(José gaat naar de markt, les 3). Zoete herinneringen.
Echter, onderhand begint de tijd te dringen.
Over een week of twee vertrek ik naar Spanje en hoe interessant
het wel en wee van Miranda en José ook is; ik mis nog een hoop
taalkennis, die ik nodig zal hebben in Santander. Natuurlijk is
het handig dat ik appels, peren en toiletpapier kan kopen in de
supermercado, dat ik het kamermeisje kan uitleggen dat het
doucheputje verstopt zit en het is bovendien van essentieel
belang dat ik weet wat een ventilatorriem (les 5, José in de
garage) in het Spaans is. Echter, de wedstrijden beginnen
voordat ik het weet, en zoals het er nu voorstaat staat deze
kaaskop met zijn mond vol tanden, zodra het startschot gelost
is. Ik heb het cursusboek inmiddels een keer of twintig wanhopig
van voor naar achter doorgespit, maar een aflevering die me de
basiskennis van Spaans in het peloton leert, heb ik niet
gevonden. José aan de telefoon, José in de apotheek, José op de
camping, José leert vissen, Miranda in de keuken (Spanjaarden
liggen nog een emancipatiegolfje of drie achter), José achter de
computer en ja, zelfs José doet belastingaangifte; José is alom
aanwezig, behalve in het wielerpeloton.
De paniek slaat toe. Ik zie mezelf al rijden in
het Spaanse peloton over een paar weken: niet in staat te
reageren als mijn collega's me waarschuwen voor een auto,
rotonde of dranghek. Spookbeelden verschijnen op mijn netvlies:
ik zie mezelf linksaf slaan, terwijl de rest van het peloton
lachend naar rechts gaat. En het ergste: hoe moet ik in godsnaam
die Spaanse wieltjesplakker in het laatste wiel van de kopgroep
duidelijk maken dat hij de mismaakte zoon van een prostituée is
en dat ik hem zijn faecaliën laat eten als hij geen kopwerk
doet? Waar is de les José in de kopgroep?
En zo, zittend in mijn eigen huis, de vertrouwde
Nederlandse regen tikkend tegen de ramen en Frans Bauer op de
radio, krijg ik een brok in mijn keel en een knoop in mijn maag.
Heimwee. En ik ben nog niet eens weg. |