|
Dagboek Thijs vanuit Maleisie
2 januari
Gapend sta ik in de rij op Schiphol. Als ik boer, komen de
oliebollen en champagne naar boven. Mijn hoofd doet pijn. Als ik
beweeg, lijkt het alsof mijn hersenen tegen mijn schedeldak
slaan. Ik beperk mijn activiteiten dan ook tot een minimum. Dat
is overigens niet moeilijk in een rij, die eindeloos lang
schijnt en niet of nauwelijks vooruitgaat.
Buiten regent het. Dikke druppels slaan kringen in de plassen.
Taxi's rijden af en aan, braken reizigers uit, die zich met of
zonder paraplu haasten om droog de vertrekhal te bereiken. Ik
sla een arm om mijn vriendin. Ze geeft me een zoen op mijn wang
en legt haar hoofd op mijn schouder. Mijn hart is in tweeen
gespleten, ook al ben ik gewend haar maandenlang slechts op mijn
netvlies te zien als ik mijn ogen sluit. Maar wanneer ik denk aan de
warmte van de tropen, de wedstrijden en het avontuur dat me
wacht, maakt mijn hart een vreugdesprongetje.
Voorlopig ga ik nog nergens naartoe. De rij lijkt alleen maar
langer te worden. Verzonken in gedachten strijk ik een pluk haar
uit het gezicht van mijn vriendin. Als de rij opschuift, doen we
een halve stap mee naar voren. Ik ben met nul komma één
kilometer per uur op weg naar Kuala Lumpur.
Pol is zonder twijfel de grootste passagier in het vliegtuig.
Pol is mijn enige Nederlandse ploeggenoot en meet een kleine
twee meter. Als ik zie hoe hij zijn benen moet opvouwen om zich
in zijn stoel te installeren, krijg ik medelijden met hem. Na
tien minuten schiet de kramp in zijn kuit. We zijn nog niet eens
opgestegen.
Naast twee Nederlanders herbergt de ploeg tien andere
nationaliteiten. Zo rijdt er een Mongool in hetzelfde shirt, een
Maleisiër, een Deen, een Nieuw-Zeelander, een Australiër, twee
Iraniërs, een Indonesiër, een Rus, een Japanner. En vier
Chinezen. Drie eigenlijk, want één komt er uit Hong-Kong en dat
is geen China. Geloof ik.
3 januari
Ik slaap nog half, terwijl ik de Maleisiër probeer te volgen,
die ons naar zijn busje leidt. Pol lijkt geen probleem te hebben
met zijn moordende tempo, ik los vrijwel meteen. Met klotsende
oksels sleur ik het lood in mijn rugzak mee en vervloek de
blokkerende wieltjes van mijn te vol bepakte koffer. Na vijf
minuten rennen, springen en vliegen ben ik ze kwijt en verander
ik mijn plan van aanpak. Ik koop een blikje cola, trek mijn
capuchontrui uit en parkeer mezelf op het dichtsbijzijnde bankje.
Ze komen me maar halen.
Vijf minuten later arriveert de cavalerie. De organisatie van de
eerste koers heeft een mannetje of vijf gestuurd om ons op te
halen en wanneer zij zich ontfermen over mijn bagage blijkt het
busje niet langer onbereikbaar ver weg.
In het hotel staat mijn fiets op mij te wachten. Hij fonkelt. De
donkerblauwe draak op het hemelblauwe frame gromt naar me als ik
over de lak streel. "Rustig maar, rustig maar", fluister ik
terwijl ik hem over zijn kop aai.
4 januari
Ik kan maar niet wennen aan het verkeer, dat links rijdt in
plaats van rechts. Ik kijk de verkeerde kant op bij het
oversteken, haal in langs de kant waar niemand het verwacht en
scheld op de auto's die me toeterend proberen duidelijk te maken
dat ik een spookrijder ben. Het zal de jet-lag wel zijn. Of
anders de overrompelende chaos van het verkeer in Kuala Lumpur.
Een rondje trainen staat hier gelijk aan een dag werken in de
mijnen. Als ik mijn neus snuit, komt er zwarte prut uit. Leve de
diesel.
5 januari
Teambuilding. Teamspirit. Voor elkaar door het vuur. Je ploeg is
belangrijker dan je familie. Ploegleiders zeggen de meest
extreme dingen om de verzameling individuen smeden tot een
geheel. Ze hebben gelijk. Een goede ploeg is meer dan de som der
delen. Maar het is wel zo handig als je de delen uberhaupt op
kunt tellen. Dat is bij onze ploeg namelijk makkelijker gezegd
dan gedaan. Hoe communiceer je met twee Chinezen, een Maleisiër
en een Rus? De laatste twee spreken wonderbaarlijk goed Engels,
maar Xing en Tong (of Tong en Xing - ik heb moeite ze uit elkaar
te houden) komen niet veel verder dan 'good, good'. Of je ze nu
vertelt dat ze de lotto hebben gewonnen of de kuisheid van hun
grootmoeder in twijfel trekt: alles is goed.
6 januari
Mijn eerste koersdag zit erop. Gelukkig. Tweehonderd kilometer
door de tropen met een bonkende koppijn van de jet-lag is me
rauw op mijn dak gevallen. De benen reageerden zoals ze horen te
reageren als ze midden in de nacht worden gewekt om een
wedstrijd in een sauna af te werken: niet. En als daarnaast ook
het hoofd functioneert als in REM-slaap, is het resultaat ernaar.
Toen de slag viel zat ik te slapen.
Het gezapige tempo van het peloton gaf me vervolgens wel alle
tijd om mijn medecoureurs te bestuderen. Belangrijkste conclusie
van de studie was ongetwijfeld dat de klantenkring van John
Willemsens Tweewielercentrum zich uitstrekt tot in de woestijn
van Bahrein. Nummer 54 reed met een broek van John onder zijn
bloedrode shirt van de nationale Bahreinse selectie. De
combinatie van onleesbaar Arabisch met de naam van het
tweewielercentrum deed me onwerkelijk aan. Alsof ik droomde.
Maar zoveel was al duidelijk.
7 januari
Ik heb regen gezien. Druilerige motregen op een grijze
novemberdag in Nederland, ik heb het zien miezeren in de
Cantabrische bossen en het hemelwater met donderend geraas op
mijn helm horen vallen op de hoogste alpentoppen. Ik ken regen.
Maar regen zoals die hier uit de wolken komt, heb ik nog nooit
gezien. Alsof je er een hogedrukspuit op je staat gericht. En
het bleef niet bij een plaatselijk buitje vandaag. De hele dag
hebben we proestend en knipperend met de ogen door een tropisch
zwemparadijs gekoerst. De hele dag, dat wil zeggen: een
kilometer of 110. De geplande 200 werden niet gehaald vanwege
overstromingen en de jury besloot in al haar wijsheid om de race
af te blazen. De vier man die op dat moment op kop zwommen,
bleken de winnaars van de loterij en verdeelden de prijzen. Het
zij ze gegund.
8 januari
Alles went. Zelfs onderwaterfietsen. Misschien heb ik kieuwen
ontwikkeld of is mijn vlinderslag sterk verbeterd, maar de regen
leek me vandaag niet te raken. Zonder enig probleem heb ik de
wedstrijdkilometers weggepeddeld en bleek in de finale nog in
staat onze Russische spurtbom Sergey te assisteren. Hij 3e, ik
8e.
De naam van de Bahreiner is overigens Mohammed Ashar. Ik heb nog
geprobeerd om erachter te komen waar hij zijn John
Willemsen-broek op de kop had getikt, maar zelfs met handen en
voeten begrepen we elkaar niet. Daarnaast werden we overstemd
door het piepende geluid van het gebrek aan olie op zijn gouden
Dura-Ace ketting. Een man uit de rijkste oliestaat ter wereld
met een krakende ketting: veel gekker moet het niet worden.
Met mijn Chinees gaat het overigens voortreffelijk. Ik lig op de
kamer met Yu Tong en we lullen elkaar de oren van de kop. Ik ben
razend nieuwsgierig naar zijn visie op de zich ontwikkelende
Chinese kapitalistische economie, maar zover is mijn snelcursus
Kantonees nog niet gevorderd. Het woord 'wat' ken ik inmiddels,
maar de woorden 'is', 'jouw', 'visie', 'op', 'de', 'zich', 'ontwikkelende',
'Chinese' en 'markteconomie' blijken nog enigszins buiten het
bereik van mijn talenkennis. Blijven oefenen. Ik kom er wel.
9 januari
Het onheilspellende gerommel van mijn buik toen ik vanochtend na
het ontbijt in de lift stapte, voorspelde al niet veel goeds.
Mijn traditionele ochtendlijke toiletbezoek evenmin.
De desperate pogingen die ik deed om mijn maag-darmstelsel weer
in het gareel te krijgen met diarreeremmers, cola en bananen
bleken tevergeefs. Al voor het einde van de neutralisatie had ik
mijn hele ontbijt achtergelaten op het Maleisische asfalt,
daarbij mijn witte schoentjes besmeurend met braaksel. Dertig
kilometer probeerde ik tegen beter weten in het peloton te
volgen, hopend op een wonderbaarlijke wederopstanding die
uiteraard uitbleef. Op het moment dat de weg begon te stijgen in
de aanloop naar de eerste klim, sijpelde het laatste restje
energie weg uit mijn benen. Zwalkend, kotsend en luid boerend
vervolgde ik mijn eenzame lijdensweg nog een kilometer of
twintig, alvorens gedesillusioneerd in de bezemwagen te stappen.
Deze bleek stampvol te zitten met collega's en de drie uur die
ik erin doorbracht, bevangen door koorts, kou, honger en
maagkrampen behoren niet tot de meest gelukkige uit mijn
wielercarrière.
Morgen vertrekt het peloton dus zonder nummer 82. Terwijl de
renners zich afpeigeren, ligt 82 op zijn rug in het zwembad van
een of ander vijfsterrenhotel. Nippend aan zijn cocktail. Hij
zal zich over zijn hoofd krabben. Hoe ging die uitspraak over
nadelen en voordelen van Johan Cruijff ook alweer?
10 januari
The best of both worlds. Onze ploeg is er hét voorbeeld van. Of
liever gezegd: the best of all worlds. Ik weet niet waar ze ze
vandaan halen, maar de ploegleiding is er in geslaagd een
bijzonder appetijtelijke mix te maken van tig verschillende
nationaliteiten. Niet alleen qua renners, maar ook wat betreft
de staf. Zo komt de mechanicien uit Thailand, evenals onze
masseur. We worden dus elke dag verwend met een Thaise massage.
Niet door een schaars geklede dame (daarvoor kun je op de 7e
verdieping van vrijwel ieder hotel terecht), maar door een kale
vent met handen als kolenschoppen. Chamnan heet hij.
Een uur en tien minuten neemt hij de tijd voor je. Massage met
een hoofdletter M. Zijn Thai relax massage is zo relaxerend, dat
ik er al drie keer bij in slaap ben gevallen.
Reageren? Laat een
berichtje achter in het gastenboek... Dagboek: 11
januari
Eén van de Chinezen wijst op
een voorbijkomende motorfiets. "Pol! Pol!" schreeuwt hij. Ter
verduidelijking: pol is niet het Chinese woord voor motor, Pol
is de wielrennende motorfiets van onze ploeg. Schuif hem een
zadel en een paar wielen onder de kont en geef hem een kilometer
of wat plat asfalt, en hij verandert van een gemoedelijke
Brabander in een Kawasaki.
Het duurde vorig jaar niet
lang om erachter te komen dat ik niet de enige Nederlander in
het Spaanse peloton was. Zijn gestalte was niet makkelijk te
missen, zeker niet tussen al die Spaanse klimmertjes van enkele
turven hoog. Wanneer hij op de pedalen ging staan, slingerde
zijn zadel vervaarlijk op de hoogte van hun hoofden. Daarnaast
bleek hij over een kwaliteit te beschikken, die op het Iberisch
schiereiland vrij zeldzaam is: een Ekimov-aanval. Voor de
onwetenden onder u (schaam uzelf!): Viatcheslav Ekimov was een
Russische achtervolgingspecialist, die door Peter Post vanachter
het IJzeren Gordijn naar Europa werd gehaald. Voorzien van een
paar turbodijen en een koersinzicht om u tegen te zeggen
behaalde hij diverse grote overwinningen door aan te vallen in
de laatste kilometers van de wedstrijd en het sprintende peloton
net voor te blijven. Later werd hij door Armstrong ingehuurd als
machinist van de US Postaltrein. Hij maakte alle zeven
Touroverwinningen van de grote baas mee en zwaaide vorig jaar af,
op veertigjarige leeftijd. Zelfs krijgers worden oud.
De Ekimovaanvallen van Pol
waren vermaard in Spanje. Wanneer hij zijn lichaam over de
bergen, heuvels en cols had weten te slepen en hij zich in de
finale in het eerste peloton bevond, hing zijn ultieme jump als
een zwaard van Damocles boven de kopgroep. Met bibberen en beven
wachtten de kleine klimmertjes op zijn verschroeiende aanval.
Niet langer ben ik één van
hen. Tegenwoordig verdedigt Pol dezelfde hemelsblauwe kleuren
als ik en zie ik zijn Ekimov handenwrijvend tegemoet. Hup
Viatche!
Dagboek: 14
januari
Elleboog van tafel, mes in
je rechterhand, vork in je linker. Niet smakken. Niet boeren.
Niet met volle mond praten. Wachten tot iedereen heeft
opgeschept. Niet opstaan als er nog iemand zit te eten. Ouders
stampen hun koters tafelmanieren in hun hoofd. Goedschiks of
kwaadschiks. Beschaving begint aan de eettafel.
Maar na een week of wat eten
tussen Maleisiërs, Chinezen, Mongolen en Japanners, besef ik dat
beschaving relatief is. De Oosterse beschaving is evengoed
beschaving; maar de Chinese of Mongoolse manier van eten voldoet
niet aan onze normen van geciviliseerd eettafelgedrag. Op het
moment dat de serveerster of ober de eerste gang opdient,
verandert de eettafel in een slagveld. Eten is oorlog. Iedereen
vecht voor zijn portie noedels, rijst, soep of babi pangang.
Smakken, boeren, met je
handen eten: alles is toegestaan.
Beleefd wachten op je beurt
wordt genadeloos afgestraft. Na onze eerste gezamenlijke
maaltijd, waarin ik mezelf keurig gedroeg, ging ik 's avonds met
een knorrende maag naar bed. Terwijl ik bezig was mij
geciviliseerd te gedragen, verorberden mijn ploeggenoten mijn
deel. Ze zullen goed naar Hennie Kuiper geluisterd hebben: eerst
het bordje van iemand anders leeg eten vooraleer aan je eigen
portie te beginnen.
Over een kwartier wordt het
avondeten opgediend. Ik ben in volle voorbereiding. De
adrenaline spuit door mijn lichaam, de spieren zijn op spanning
na een uitgebreide warming-up en mijn blik staat op onweer. Laat
maar komen, die nasi goreng. Geen Chinees die een korrel rijst
van me krijgt. Ik lust ze rauw.
15 januari
De mechanicien vroeg me
vanmorgen of hij een 27 zou monteren op mijn achterwiel. Ik
barstte in lachen uit. Een 27? Ik ben toch geen 56-jarige
fietstoerist met een bierbuik en een bureaukont? Een 27? Laat me
niet lachen.
Hij haalde zijn schouders op
en pakte een 25 uit zijn gereedschapskist. "Een 25?" schamperde
ik. Hoofdschuddend wees ik hem op mijn tengere klimmerskuiten.
Omvatte mijn enkel met één hand. Toonde hem mijn graatmagere
bovenlichaam. Ik ga toch zeker niet met een 25 rijden. Niet in
dit leven toch.
En zo ging ik vanochtend op
pad met een 23. Zoals het hoort. Echte renners rijden niet met
toeristenverzetjes. De training voerde ons naar Genting
Highlands, de moeilijkste col van Maleisië en scherprechter van
de koninginnerit van de Tour de Langkawi, die over een week of
twee van start gaat. Verkenning, zo heette het. Maar zoals
altijd met een ploeg, die pas net bij elkaar is en gezegend is
met enkele jonge honden en overgemotiveerde klimmers, ontaardde
de verkenning in een regelrechte koers.
Vrienden worden met de berg,
had onze ploegleider nog gezegd van tevoren. Welnu, vrienden ben
ik niet geworden met Genting Highlands. Weliswaar bereikte ik
als eerste Marco Pool de top, maar om nu te zeggen dat de berg
me met open armen had ontvangen: nee. Zijn hellende stroken van
17 procent waren allerminst vriendelijk, zijn ijle lucht sneed
me de adem af en de oneindige bergweg was bepaald niet gastvrij.
Beschaamd stapte ik na de
training af en gaf mijn fiets aan de mechanicien. "Ehh, wat
betreft dat verzet...", stamelde ik. "Jaja, ik weet het. Je
krijgt een 25 van me." Ik kuchte. Gaf hem een kort knikje. "Dank
je", zei ik.
Ik zal in de koninginnerit
starten met een 25. Ik ben een toerist.
16 januari
Van
Het Verstopte Toilet en De Wasbak
Het leven van een toiletpot
gaat niet over rozen. De toiletpot moet in een vorig leven de
meest afschuwelijke wandaden hebben gepleegd, getuige de
hoeveelheid afvalstoffen die hij elke dag te slikken heeft. Het
is dan ook niet vreemd dat een wc er bij tijd en wijlen de brui
aan geeft.
Vandaag begaf de
roze-met-witte pot op onze hotelkamer het. Hoe hard we ook op de
doortrekknop drukten: hij gaf geen sjoege meer. We smeekten, we
vloekten, we praatten om de beurt op hem in, maar het mocht niet
baten. Hij was niet voor rede vatbaar. Het leven zag er door een
roze bril blijkbaar anders uit. Er zat niets anders op dan de
badkamerdeur te sluiten en de cavalerie te ontbieden.
Tien minuten na onze
wanhoopsschreeuw werd er op de deur van de suite gebonsd. De
Loodgieter was gearriveerd. Groter dan een meter vijftig was hij
niet, maar de genadeloze blik in zijn ogen en de enorme
ontstopper in zijn linkerhand deden me een rilling over de rug
lopen. Zonder een woord te zeggen stapte hij langs me heen de
kamer binnen. Kilte vulde het vertrek. Ik schrok toen hij me
aankeek. Het wit van zijn ogen was rooddoorlopen. "You go!",
commandeerde hij. Zijn stem klonk schor maar hard. Hij zwaaide
met de ontstopper en wees naar het gat van de deur. Blijkbaar
wenste hij geen toeschouwers bij zijn confrontatie met de
onwillige toiletpot. Ik knikte en deinsde achteruit. Pol stond
al in de hal, slechts gekleed in een boxershort. Aan zijn
linkervoet bungelde een slipper.
Zonder omkijken stommelden
we zo snel we konden door de lange corridor, onszelf zo ver
mogelijk verwijderend van de Loodgieter en zijn ijzige blik. Pas
aan het einde van de gang durfden we ons om te draaien. Uit de
geluiden, die ons bereikten vanuit onze kamer, viel niets op te
maken over het verloop van het gevecht. Een tiental minuten
verstreek. Langzaam maar zeker won onze nieuwsgierigheid het van
de angst. En daarnaast begonnen de spanning en de fles cola op
mijn blaas te werken. Schuchter slopen we terug naar de suite.
Het enige geluid dat we hoorden was het gieren van onze eigen
ademhaling en het geslof van Pols linkerslipper.
Toen we bij de deur
aankwamen, voelde ik het bonken van mijn hart in de slapen van
mijn schedel. "Ik durf niet", fluisterde ik tegen Pol. Hij
slikte. Zijn blik sprak boekdelen. "Tegelijk?" zei hij vragend
en hij telde af van drie naar nul. Voordat hij 'nul' had kunnen
zeggen, stak de Loodgieter zijn hoofd om de deur. Het bonken van
mijn slapen hield terstond op. Een moment dacht ik dat mijn
hartslag nooit meer op gang zou komen. Ik sloeg mijn armen voor
mijn gezicht en wierp me op de grond. "Excuse me, excuse me!"
schreeuwde ik wanhopig. Hij tikte me op mijn schouder. "You
come", zei en ging ons voor naar de badkamer. Hij hinkte. Uit
zijn broekspijp leek bloed op zijn zwarte schoen te druppelen.
Ik durfde er niet naar te vragen.
De stank leek onveranderd groot. Tot onze
verrassing wendde hij zich niet tot de toiletpot, maar opende de
kraan van de wasbak. De straal die eruit kwam was inderdaad een
stuk fermer dan voorheen. "Good now", sprak de Loodgieter kortaf
en zwaaide zijn ontstopper als een bijl over zijn schouder. Pol
wees nog weifelend naar de wc, maar de Loodgieter had geen oog
voor hem. "Thank you", stamelde ik en opende de knopen van mijn
gulp alvorens in de wasbak te urineren. Hij stak zijn duim op en
hinkte weg.19 januari
Het einde nadert. Pol en ik
zijn aangekomen bij aflevering 10. Er resten er nog twee. Daarna
dreigt het zwarte gat. We zijn verslaafd.
Prison Break-junks. Twee maal veertig minuten spanning,
sensatie en ongeloofwaardige plotwendingen hebben we nog om onze
verslaving te overwinnen. Hoog tijd voor een nieuwe drug. En
anders beginnen we gewoon weer overnieuw.
20 januari
Eindeloze rijstvelden
trekken aan mijn oog voorbij. De motor van de bus zoemt zachtjes.
Ik geeuw. Verveel me. Xing Yan Dong en Pol liggen te slapen. Een
vlieg landt op de neus van Xing. Hij snuift. De vlieg stijgt op,
maakt een rondje en gaat op exact dezelfde plek weer zitten.
Xing wrijft met zijn hand over zijn neus. Mompelt wat in het
Chinees.
Het is heet in de bus. De
airco doet het niet en zo vlak na de finish van de etappe zweten
de renners na in hun vieze kloffie. De zon staat op mijn hoofd.
Hij schijnt precies onder de klep van mijn pet door.
Ik haat verplaatsingen. De
afstanden, die we afleggen in auto's, vliegtuigen, treinen en
bussen zijn enorm. Alsof we op de fiets niet genoeg kilometers
overbruggen.
Vervelen is een onderdeel
van het vak. Tijdens de training, in de wedstrijd en gedurende
het reizen. Ik ben een slechte verveler. Elke minuut, waarin ik
niets omhanden heb, is er één teveel. Ik kan niet stil zitten,
mijn mond niet houden en heb niet het jaloersmakende vermogen om
in slaap te vallen op commando. En dus verveel ik de
rest van de bus. Zit te neuriën terwijl anderen willen slapen,
stuur zinloze sms'jes naar mijn hele kennissenkring en blader
het reclamefoldertje van de wedstrijdsponsor voor de
vierendertigste keer door. De tijd kruipt. De bus ook. En de
vlieg op de neus van Xing Yan Dong. Mijn god, ik verveel me.
21
januari
De morgenstond heeft goud in
de mond. Althans, dat zegt men. Mijn morgenstond smaakt niet
naar goud. Wanneer ik voor negen uur mijn bed uit word gesleept,
proef ik slechts slaap. Ik ben geen ochtendmens, heb een hekel
aan vroeg opstaan en helemaal aan vroeg starten. Ondanks sloten
koffie word ik pas wakker als de koers een uur of twee aan de
gang is. Mijn bioritme vertikt het om te luisteren naar de knal
van het startpistool. Elke ochtend ga ik slapend op weg.
De eerste vijftig kilometer
zijn niet zelden de zwaarste. Mijn benen willen niet, mijn hart
tikt op slaapstand en de aanvalslust ligt nog op één oor op het
kussen van mijn hotelbed. Vanochtend was het niet anders. Twee
uur lang reed ik in de buik van het peloton rond met een stel
benen waarmee geen land te bezeilen was. En zeker geen berg mee
te beklimmen. Ik slaagde erin mezelf op hangen en wurgen in het
eerste deel van de groep omhoog te slepen op de eerste helling,
maar daar was ook alles mee gezegd. Vierkant draaien, noemt men
dat.
De ommekeer kwam rond een
uur of twaalf. De wekker van binnen liep af en eindelijk werd
mijn lichaam wakker. Het resultaat mocht er zijn: in de finale
reed ik schijnbaar moeiteloos (met hulp van brommer Pol) van
groep naar groep en kwam als vijfde boven op het slotklimmetje.
Morgen een makkelijke dag.
Op papier. Maar de starttijd lacht me weer met een vileine
glimlach tegemoet. Tien uur vertrek. Dat betekent om zeven uur
ontbijt. Ik kijk er nu al naar uit.
22 januari
Leve de koning. Afgaand op
het aantal vlaggen, posters en andere beeltenissen van de Thaise
koning Bhumibol, is de populariteit van het koningshuis ongekend.
Overal wordt je aangestaard door de koning, al dan niet
vergezeld van zijn vrouw. Het portret is immer hetzelfde:
gekleed in een militair kostuum dat behangen is met insignes,
speldjes en medailles kijkt hij met een strak gelaat neer op het
volk. Ik weet niet hoeveel keer hij de plaatselijke
avondvierdaagse met succes heeft afgerond, maar de hoeveelheid
goud die hij draagt zou B.A. nog jaloers maken.
Bhumibol is heilig. Degene
die zijn almacht niet respecteert, pleegt heiligschennis. Zo
wordt de renners met klem verzocht de trofee, die de
etappewinnaar krijgt overhandigd, met zorg te behandelen. Het is
de trofee van de koning. Laat hem uit je handen vallen en er
wachten stokslagen of een armamputatie. Dat wil zeggen, als de
koning mild gestemd is.
Ik ben zuinig op mijn
ledematen. Daarom neem ik mijn petje af wanneer ik langs zijn
statiepotret fiets en pieker er niet over om als eerste over de
streep te gaan, bang voor de combinatie van mijn onhandigheid en
de koningstrofee.
Vrijheid van meningsuiting
is een overschat grondrecht. Voor mij is Bhumibol heilig. Leve
de koning.
23 januari
Koninginnerit. Ik spreek het
uit met een 'j'. Zoals het hoort. Mijn Brabantse makker Pol
krijgt het niet over zijn lippen. Hij maakt er een konigin van.
Met een zachte 'g'. Vanochtend hadden we bijna slaande ruzie,
maar we kwamen er niet uit. Omwille van de lieve vrede besloten
we het woord koninginnerit niet meer uit te spreken en de etappe
van vandaag te benoemen als 'dag van de waarheid'.
De etappe was inderdaad
zoals het profiel beloofde: de route was bezaaid met klimmen.
Het peloton werd volledig aan stukken gereten. Uiteindelijk
bleef er een man of 15 over in de kop van de koers, waaronder
Pol (die uiteindelijk 3e werd), Xing Yan Dong en ik. Dat lijkt
op het eerste gezicht meer dan goed, maar onze prestatie werd
volledig ondergesneeuwd door het optreden van aartsvijand Giant
Asia, die vandaag fietsles gaven. Op de eerste klim van de dag
reden er twee weg, en die zagen we ondanks beulswerk van alle
andere ploegen pas terug na de finish.
Het voelde alsof we de hele
dag op fantomen jaagden. Ik heb ze de hele dag niet gezien, en
als de motor van de tijdswaarneming ons niet regelmatig het
tijdsverschil had doorgegeven, had ik gezworen dat ze überhaupt
niet bestonden.
Fietsles dus. In de
koninginnerit. Met een 'j', met een 'g': het zal me worst wezen.
Ik neem mijn hoed af.
24 januari
Ik ben een open boek. Als ik
blij ben, zie ik er blij uit. Als ik pissig ben, zie ik er
pissig uit. Vandaag ben ik pissig. En dat gaat ten koste van
mijn medecoureurs, de staf en het arme meisje van de
handdoekenservice, dat vergeten was nieuwe handdoeken in de
badkamer op te hangen.
De reden? De etappe van
vandaag, die uitliep op een taktisch steekspel waarvan ikzelf en
de ploeg de dupe werden. Wielrennen is soms als schaken, en net
als in deze edele denksport worden er bij tijd en wijle
gigantische flaters geslagen door de heren kopmannen en
ploegleiders.
Een reeks blunders leidde
ertoe dat een groepje renners van de tweede rij een vrijgeleide
werd gezonden en daarmee niet alleen de etappe, maar ook de
topposities in het algemeen klassement in de schoot geworpen
kreeg.
Wee degene die me vandaag
voor de voeten loopt. Vandaag ben ik pissig.
25 januari
Het zit erop. Met een levensgevaarlijke laatste bocht en een
traditionele massasprint eindigde de Ronde van Siam. Inclusief
de net zo traditionele massale valpartij. Ach, het hoort bij het
vak. Althans, dat van sprinter, en aangezien ik dat niet ben
prees ik me vandaag gelukkig dat ik mijn lijf en ledematen niet
hoefde te riskeren in de chaos van de slotsprint.
Nadat ik me had laten uitbollen en tot mijn spijt moest
constateren dat onze zwijgzame spurtbom uit Rusland opnieuw
tweede was geworden, besloot ik me te richten op de
festiviteiten na afloop.
Stelt u zich daar niet teveel van voor: na een week lang op een
smal zadel en slechts dorstlesser, cola en energiedrank, is een
biertje op een stoel in de schaduw al een feest op zich.
Bovendien staat de volgende koers alweer voor de deur en is
discipline noodzakelijk. Wielrenner is geen baan van 9 tot 5.
Wielrenner ben je 24 uur per dag.
27 januari
Een Bounty-island. Anders kan ik het niet omschrijven. Langkawi
is net zo groot als pakweg Texel, maar een stuk exotischer.
Althans, palmbomen, hagelwitte stranden en een helderblauwe zee
heb ik na aankomst op het Waddeneiland nooit gezien.
Een week zitten we hier nog. Een week lang zon, zee, strand en
cocktails drinken in de zwembadbar van het hotel. Laat ik zeggen:
we hadden het slechter kunnen treffen. Ik ben het seizoen ook
wel eens begonnen met een verregend trainingskamp aan de Côte
d'Azur of - erger nog - in de Achterhoek.
Het mooiste is trouwens dat we hier niet al teveel hoeven te
doen. Na twee etappewedstrijden en veel te veel reiskilometers
is het nu vooral een kwestie van uitrusten om de accu op te
laden voor de Tour de Langkawi. Wielrenners die niets doen zijn
geen lapzwansen of nietsnutten. Zij zijn bezig met hun vak.
Soigneren heet het.
Welnu, laat ik eens aan het werk gaan en mijn zwembroek
aantrekken. De lazy river wacht. Ik ga mij soigneren.
28 januari
"Zhrè". "Zsjùh". "Tsòh". "Srsjúh". Ik geef het op. Chinees is te
moeilijk. Het enige woord wat ik onderhand beheers, is "bhú".
Dat betekent 'nee' en de enige reden dat ik het woord uit kan
spreken, is omdat het me vrijwel permanent wordt toegebeten door
mijn Chinese ploegmakkers alias leraren, wanneer ik weer een
woord verkeerd uitspreek. Een doorsnee dialoog verloopt ongeveer
alsvolgt:
Ik: "Water?", wijzend op een glas water.

Xing Yan Dong, langzaam articulerend: "Shrêh".
Ik: "Zjrè"
Xing Yan Dong, geduldig: "Bhú, shrêh".
Ik: "Szrùê."
Xing Yan Dong, iets minder geduldig: "Bhú, shrêh".
Ik: "Zserj".
Xing Yan Dong, geïrriteerd: "Bhú, shrêh!"
Ik: "Sjru".
Xing Yan Dong, kwaad nu: "Bhú, shrêh!!!"
Ik, tong inmiddels in de knoop: "Ssherj".
Xing Yan Dong is het zat: "Yes, good." En loopt hoofdschuddend
weg.
Zo moeilijk als Chinees is voor ons, zo moeilijk is Engels voor
hen. Het is dan ook een wonder dat jongens als Xing ondertussen
al een kleine conversatie met ons kunnen voeren. In het Engels.
Ik zou het in het Chinees niet kunnen. Echt niet? Bhú, echt niet.
|