Home

Biografie

Nieuws

Uitslagen

Programma

Foto's

Links

Gastenboek

Contact

Column uit Leidsch Dagblad (19 maart verschenen)

Koffie in Gucciland  

Ik kon de verleiding niet weerstaan. De zilvergrijze kussens op de stoelen van het zonovergoten terras leken me te roepen. Ik rook de koffie. Uit alle macht probeerde ik hun stemmen in mijn hoofd te negeren. Zonder succes. Mijn stuur sloeg rechtsaf, voeten klikten uit de pedalen en mijn billen nestelden zich op het zilvergrijs. Ik had nog geen uur getraind.

Mijn schuldgevoel woog echter niet op tegen de aangename warmte van de zon. Loom zakte ik onderuit. Ik wenkte de serveerster en bestelde een espresso. Ik besloot het er van te nemen. Trainen kan altijd nog. Hoe vaak kun je nu op een terras zitten in Nederland?

De tafeltjes om mij heen werden bezet door vrouwen van middelbare leeftijd. Zonder uitzondering met gebotoxte lippen, een geplamuurd gezicht en een Gucci-zonnebril in de geblondeerde haren. Ik realiseerde me dat ik me in hartje Wassenaar bevond. Zonder aardappel in de keel koopt men hier geen huis. Een kopje koffie hooguit, al was het op het randje van het toelaatbare, getuige de dodelijke blik die de serveerster wierp op mijn bezwete wielerkloffie. Transpireren is not done in Wassenaar, en zeker niet op een racefiets. Op het hockeyveld misschien, en in de sauna.

Ik negeerde de dodelijke blik, vouwde mijn handen achter mijn hoofd en sloot mijn ogen. Glimlachend luisterde ik naar de gesprekken van mijn buren. De twee dames rechts van mij praatten volledig langs elkaar heen. Ze schenen het zelf niet te merken.

"Ik zeg nog zo, Har: ik trek het niet meer. Ik wil van je scheiden." Guccibril 1 nam een slok van haar rosé.

"Een boekenclub! Nou zeg ik je: ik heb nog nooit een boek gelezen!" Guccibril 2 hapte in haar salade met eendenborst.

"Ik ben een vechter, hoor. Maar zo'n huwelijk heb ik nog nooit meegemaakt."

"Moest uitgerekend ík het eerste boek kiezen!"

"Har is een schat, daar niet van. Maar in bed..."

"Ik zeg: Sonja Bakker telt zeker niet?"

"Maar wat moet ik met de kids?"

"Nee hoor, het moest zonodig literair zijn."

"Har wil ze niet."

"En Sonja is blijkbaar geen literatuur."

"Misschien kan ik ze wel bij mijn moeder kwijt..."

"Nou zeg ik je: wat is dan literatuur?"

"Dan kan ik lekker van de week naar Saint Tropez."

"Sonja heeft anders heus wat te melden hoor!"

"Even uitblazen! En shoppen, ben ik wel aan toe."

Een wolk dreef voor de zon. De plotselinge kilte die over het terras viel blies het kippenvel op mijn ontblote armen en ik ontwaakte uit mijn zomerslaap. Tijd om te trainen. Met een zucht rekende ik mijn espresso (à €4,90) af bij de chagrijnige serveerster en pakte mijn fiets. De twee Guccibrillen vielen stil. Fluisterend zei de meest blonde: "Ik vind het maar ordinair, die wielrijders in hun strakke pakjes." Haar kloon aan de overkant van de tafel knikte. "Maar hij heeft wel een lekker kontje!" Toen ik wegfietste, rustten hun blikken op mij. Ik voelde me vies.

Reageren? Laat een berichtje achter in het gastenboek...

Dagboek Afrika 11 maart

Het kan altijd gekker. Ik vond de starttijden van de wedstrijden in Baskenland vorig jaar al bizar. Diverse keren stond ik om negen uur 's ochtends te geeuwen bij de startstreep in een dorp met een onuitspreekbare naam. Xixizibarri, Zxumxzirre: ook zonder kleine oogjes van de slaap had ik het plaatsnaambord niet kunnen lezen.

Voor de goede orde: negen uur starten betekent vaak rond halfzes opstaan. Ontbijt, reis, inschrijving, warming-up, liters koffie drinken: het vreet tijd. Ik had dan ook een grondige hekel aan Baskische wedstrijden, ondanks de schitterende parcoursen, de enorme toeschouwersaantallen en de lokale wielercultuur.

Soms, heel soms, wens ik dat ik een Baskische koers rijd. Vanmorgen bijvoorbeeld. Zoals gezegd: het kan altijd gekker. De organisator - onmiddellijk opsporen en doodknuppelen - van de Giro del Capo had het lumineuze idee om het peloton te laten starten vóór 's werelds grootste cyclosportieve evenement: de Cape Argus. Aangezien de heren en dames fietstoeristen de hele dag nodig hebben om de kilometers weg te peddelen, wordt het startschot voor dit wielerfeest gegeven om kwart over zes. Dat betekende dus dat wij om zes uur stipt zouden moeten vertrekken. Zes uur. 06.00. ZES UUR.

En zo stond vanochtend om zes uur een peloton slaperige, chagerijnige, zeg maar gerust moordbeluste coureurs aan de startstreep in hartje Kaapstad. In het donker. De zon was nog lang niet op. Bijgestaan door autolampen en straatverlichting doken we de duisternis in. Ik heb geen idee hoe, waar, waarom en wat er gebeurd is in de koers. Pas aan de finish werd ik wakker, zo rond een uur of negen. Baskische tijd.

Dagboek Afrika 10 maart: Kat in het Bakkie

De benen van Rudi deden Men uiteindelijk de das om. Lange tijd zag het ernaaruit dat niemand een plek bij de eerste tien zou behalen in de tijdrit. Men lachte. Wreef in zijn handen. Hij zag ons al zitten, met z'n vijven achterin de pick-up, die hier in Zuid-Afrika een bakkie wordt genoemd. Schaterend sloeg hij Pol op zijn rug, wijzend naar het bakkie. Hij schaduwbokste een beetje met Kenji, kietelde Sid en danste voor mijn neus toen hij mijn belabberde tijd vernam.

Maar Men lachte niet het laatst. Rudi zette zichzelf bij de eerste tien, bewees de ploeg daarmee een goede dienst, maar niet de ploegleider. In plaats van vijf renners, zou nu de directeur sportief plaats moeten nemen tussen de wielen, fietsen en bidons. Achterin het bakkie.

Zo reden we huiswaarts: een bus vol gierende renners op chique zetels, en een ploegleider van minstens 65, die zijn oude botten kneusde in de laadbak van de roestige pick-up. De zon scheen genadeloos hard op zijn schedel, de snoeiharde Kaapse zuidwester blies de tranen in zijn ogen en de hobbels in de weg veranderden zijn stuitje in een verkruimelde muëslireep. Hij gaf geen krimp, maar ik had met hem te doen.

Toen we bij het hotel aankwamen, stapte hij strompelend uit. Zijn gezicht vertrok van de pijn. Ik opende mijn mond om een flauwe grap te maken, maar voordat ik iets had kunnen zeggen, wierp hij me een woedende blik toe. "O wee," zei hij, met een vet Limburg accent, "wee degene die durft te zeggen dat ploegleider een makkelijke job is." Zwijgend keek ik hem na, terwijl hij zich de trap opsleepte.

Reageren? Laat een berichtje achter in het gastenboek...


Dagboek Afrika: 7 maart The Beauty against The Beast

Ze zuchtte toen ze me aan zag komen. "Niet alweer", moet ze gedacht hebben. Beauty, heet ze, de receptioniste van het hotel. Eén meter vijftig hoog en twee meter breed. Ze zal minimaal een kilo of 120 wegen. In haar ogen stond wanhoop te lezen. Beauty wist het ook niet meer.

Drie dagen lang voer ik al een soort oorlog met haar en het hotel. De inzet is een zak vuile was. Fietskleren, zweethemdjes, een paar handschoentjes. Het enige wat ik vraag is een rondje in de wasmachine. Dat blijkt lastiger dan het lijkt. De afdeling Housekeeping wil er niet aan, Roomservice evenmin en de arme Beauty krijgt het op haar bord. Eergisteren dacht ik het voor elkaar te hebben. Dat bleek te vroeg gejuicht. 's Avonds kreeg ik het bericht dat de afgesproken regeling teruggedraaid werd (orders van boven) en dat de waszak was afgeleverd op mijn kamer. Dat was vreemd, want ik was op mijn kamer, en waar ik ook zocht: geen zak vuile was. Het betekende dat ik opnieuw op hoge poten richting receptie toog, waar ik met Beauty de volgende slag in de oorlog voerde.

Nadat het hele hotelcomplex was uitgekamd en mijn waszak werd teruggevonden in een kamer van een concurrende ploeg (geheel mijn fout overigens, ik had een verkeerd kamernummer gegeven), kwamen we opnieuw een wasregeling overeen. Althans, dat dacht ik. De volgende dag verscheen de was in een kartonnen doos. Zonder handschoentjes. Zonder waszak. En kon ik weer richting mijn goede vriendin Beauty.

Ze heeft hem inmiddels opgespoord, mijn waszak. Dat komt mooi uit: mijn vuile was heeft zich inmiddels opgehoopt in de hoek van mijn kamer. Er moet nodig gewassen worden. De volgende veldslag is aanstaande.

Dagboek Afrika: 5 maart

"Troep", zei hij en spuugde de wijn terug in het glas. Zijn gezicht sprak boekdelen. Alsof hij zojuist een beker citroensap in één teug had leeggedronken. "Dat is geen wijn. Wijn komt uit Frankrijk." Het chauvinisme flikkerde op in zijn ogen. "Wijn, da's kunst! Vakmanschap. Frans vakmanschap!" Ik geloofde hem. Waarom ook niet? Jean-Mi, ploegleider van mijn Franse équipe, was zoon van een wijnboer. Een kenner dus. Ikzelf had in mijn hele leven misschien twee glazen gedronken. Met tegenzin. Overigens speelde dit verhaal zich af in de beginperiode van mijn verblijf in Zuid-Frankrijk. Mijn wijnconsumptie steeg in twee jaar naar dubieuze hoogten.

De door Jean-Mi als 'troep' aangeduide substantie was Zuid-Afrikaanse wijn. Uit Stellenbosch, om precies te zijn. Volgens Jean-Mi was het de naam wijn niet waard. Wijn, zo betoogde hij, werd gemaakt volgens regels. Oude regels. Rituelen haast. En vooral: met liefde. Geen druif groeit zonder de oprechte aandacht, liefkozingen en strelingen van een Franse wijnboer. En dat proef je.

In Zuid-Afrika produceren ze wijn in fabrieken. Genetisch gemanipuleerde massadruiven, geperst met machines en op smaak gebracht met chemicaliën. Niks rituelen en liefde: commercie. Namaaktroep. Wijn uit een potje: druivensap met een in een laboratorium gefabriceerd wijnaroma.

Nu, vier jaar later, ben ik in Stellenbosch. Het hol van de duivel, zou Jean-Mi zeggen. Vanwaar duizenden monsterlijke wijnfabrieken de wereld trachten te overspoelen met een paarse smurrie, onder de noemer 'wijn'. Waar de ontelbare schoorstenen zonder ophouden hun chemische gassen uitstoten; lucht, water en grond onherstelbaar vervuilend. Waar robots, machines en malafide wetenschappers de arme Franse wijnboeren het stokbrood uit de mond concurreren.

Maar er staat hier geen fabriek. Niet één. De lucht is strakblauw, het gras onweerstaanbaar groen en het water helderder dan glas. En overal staan wijnranken. Zover het oog reikt velden vol sappige druiven. Stellenbosch is één groot wijnveld. Om de driehonderd meter staat er een bordje met de naam van een wijnhuis erop. De één nog mooier dan de andere. Wie zou niet vallen voor een etiket met "De Zoete Inval", "Rhebokskloof", "Blaauwklippen"of "Nabygelegen" erop?. Het ruikt hier naar wijn, het hoort hier naar wijn en het voelt hier naar wijn.

En de smaak? Geen idee. Ik ben nog steeds geen kenner.


Reageren? Laat een berichtje achter in het gastenboek...

Dagboek Afrika: 4 maart

Ik heb hier in Zuid-Afrika nog geen enkel lid van de fameuze "Big Five" gezien, maar zo voelt het niet. Na twintig uur opgevouwen in een vliegtuig te hebben gezeten, waan ik me een wokkel. Gedraaid, gekraakt, verfrommeld. Mijn nekspieren staan op knappen. Ellebogen beurs, blauwe plekken op de knieën en zes verzakte ruggewervels. Alsof er een kudde neushoorns over me heen is gelopen. Of olifanten. Die Big Five hebben hun sporen al achtergelaten.

Reageren? Laat een berichtje achter in het gastenboek...

 
 

 

 

Nieuwsindex 2007

Nieuwsindex 2006

Nieuwsindex 2005

Nieuwsindex 2004

Nieuwsindex 2003