|
|
|
23 mei 2007 |
|
|
タイス・ゾンネフェルト
- Thijs dus -
rijdt momenteel de
Ronde van Japan
(20 - 27 mei).
Tot nog toe steeds voorin geeindigd, vandaag 9e.
Tussenstand: een 10e plaats in het Algemeen Klassement.
Morgen rust/reisdag, vrijdag tijdrit op Mount Fuji.
De organisatie levert elke dag mooie filmpjes af, te
bekijken via
YouTube! |
|
|
19 mei - dagboek Japan (Ronde van
Japan) |
|
|
Sushi Junkie
Mijn lieftallige wederhelft
trok groen weg van jaloezie, toen ze vernam dat ik zou afreizen
naar de Ronde van Japan. Begrijp me niet verkeerd: ze gunt me
alles. Een lang leven, gezonde kinderen, eindeloos geluk en alle
zegebloemen ter wereld. Een betere vriendin kan ik me niet
wensen. Maar een bezoek aan Japan zónder haar: dat ging een stap
te ver. Wij delen namelijk een verslaving: sushi.
Minstens één keer per week
schransen we ons vol met ons favoriete eten. De ingrediënten
zijn vrij simpel, al moet voor de zeewiervellen, de rijstazijn,
de plakrijst en de wasabi (dodelijk scherpe mierikswortel) vaak
wel enige moeite worden gedaan. Naast deze
basisbenodigdhedenzijn alle combinaties mogelijk. Omelet,
komkommer, surimi, avocado en alle soorten verse vis. Ik heb
zelfs wel eens knakworst in mijn sushirol gegeten, al zal meneer
Sushi daar waarschijnlijk van omdraaien in zijn graf.
De reden dat we de sushi
zélf bereiden, is vrij banaal. Elke week sushi in een restaurant
eten is in Nederland namelijk slechts weggelegd voor een paar
bovenmatig gefortuneerde yuppen uit de grachtengordel of 't Gooi.
Schreeuwend duur is nog een eufemisme voor de gemiddelde
rekening bij een sushibar. Vooral als je iets meer wilt eten dan
twee miniscule rolletjes en een reepje vis.
Hier in Japan is alles
anders. Sushi is net zo exclusief als een hotdog of een broodje
kaas in Holland. Het is verkrijgbaar op elke straathoek. Als
ontbijt, lunch, diner of tussendoortje. Een dag zonder sushi is
een dag niet geleefd.
Vanmiddag heb ik mijn lunch
genuttigd in het toppunt van de Japanse sushicultuur: een
lopende band-restaurant. Het woord zegt het al: je eet van de
band. In lange rijen komen de bordjes voorbij aan je tafeltje,
in alle mogelijke vormen, maten en combinaties. De sushi rolt er
letterlijk je mond in. Je eet tot je geen pap meer kunt zeggen,
telt het aantal opgestapelde bordjes en rekent af. Een
verslaving was nog nooit zo goedkoop.
Intens tevreden keek ik
vanmiddag naar mijn manshoge stapel bordjes en streelde over
mijn buik. Nog één rijstkorrel meer en ik was waarschijnlijk
geëxplodeerd. Een mooie dood, voorwaar. Maar ik wil mijn
vriendin geen weduwe maken voordat we überhaupt zijn getrouwd.
Ik vroeg mijn Japanse gids
c.q. ploeggenoot een foto van mij en mijn bordjes te maken. "For
my girlfriend", legde ik hem uit. Hij knikte. "Say cheese!" riep
hij, met de camera voor zijn ogen. Ik burpte en glimlachte
gemeen richting de camera.
Reageren? Laat een berichtje achter in het
gastenboek... |
|
|
15 mei - dagboek Peking (trainingskamp) |
|
|
Nee,
ik ben geen toerist. Ik ben wielrenner. Ik ben hier niet om
mooie plekjes en toeristische attracties te bezoeken. Ik ben
hier om te trainen. Tegen bergen op rijden om het klimritme te
hervinden. Kilometers maken in een aangenaam klimaat. Wennen aan
het tijdsverschil in functie van de Ronde van Japan. Werken dus.
Toch is het niet onhandig
dat we op welgeteld drie kilometer van de Chinese Muur zitten.
Drieduizend kilometer lang is hij. Ik kan hem vanuit het raam
van mijn hotelkamer zien slingeren over de bergkammen als een
enorme python. Het lijkt wel alsof ze de meest lastige route
expres hebben opgezocht om er een muur op te metselen. Niet door
een vlakke vallei of over een niet al te steil heuveltje, maar
over de hoogste toppen, door wilde rivieren, onbegaanbare bossen
en langs ijzingwekkende afgronden.
Drieduizend kilometer
architectonische, technische en bouwkundige hoogstandjes om een
stel Mongolen buiten de deur te houden. Je moet er maar zin in
hebben. Tegenwoordig hebben de hoge heren van de Partij een
nieuw project in het leven geroepen om het volk bezig te houden:
de Olympische Spelen. Beijing 2008 komt eraan en het land moet
op de schop. Wegen, gebouwen, stadions, hotels: China is één
grote bouwput. Waar we ook langs komen tijdens de training,
overal rijden trucks met stenen, stalen constructies of cement.
En als er geen trucks voorhanden zijn, doen mensenhanden
hetzelfde werk. Geen probleem, mankracht is hier genoeg. Die
Muur is immers ook zonder trucks gebouwd.
Hoe indrukwekkend de
bouwplannen voor de Spelen ook zijn, ikzelf vind de oude Muur
nog altijd een stuk mooier. Toen we vandaag op de top van een
kilometerslange klim met weids uitzicht op de Muur een colaatje
dronken, werd ik stil van de immensheid van het bouwwerk. Helaas
waren we niet de enigen die van het uitzicht genoten. Toeristen
uit alle landen hebben Beijing tegenwoordig gevonden en de
bergtop was dan ook vergeven van de dagjesmensen, die hun
fotorolletjes volschoten met beelden van de stenen python.
Hoofdschuddend keek ik Robin, mijn ploeggenoot uit Nieuw-Zeeland,
aan. "Fucking tourists," zei ik tegen hem, mijn hoofd knikkend
naar de roodverbrande sportsokken-met-sandalen die elkaar
verdrongen voor het beste kiekje. Hij knikte.
"I know. I know." Hoofdschuddend keken we het schouwspel van de
poserende toeristen. Toen leek hij zich ineens iets te
herinneren. Hij groef in zijn achterzak en haalde er een
miniscule digitale camera uit. "Photo?" vroeg hij me. Blij
verrast sprong ik op. "Of course!" riep ik en haastte me naar de
dichstbijzijnde medetoerist om te vragen of hij ons samen op de
foto wilde zetten.
Reageren? Laat een berichtje achter in het
gastenboek... |
|
|
13 mei
|
|
|
Pompen of
Verdwalen
Een pomp! Een
koninkrijk voor een pomp!
Vertwijfeld
keek ik vanochtend naar de banden van mijn fiets. Leeg. Logisch:
dat is verplicht bij vliegtuigtransport. Ze zouden klappen,
volgens de vliegtuigmaatschappijen. Flauwekul natuurlijk, maar
aangezien ik vanwege het chronische overgewicht van mijn bagage
graag de mevrouw achter de balie te vriend hou, respecteer ik de
lege-bandenregel. Het is bovendien een kleine moeite om ze weer
op spanning te brengen. Dat wil zeggen: als je eraan gedacht
hebt een pomp mee te nemen.
Omdat het
trainingskamp in de heuvels rond Peking tot in de puntjes
georganiseerd is door de ploeg, heb ik er niet eens bij stil
gestaan dat ik zoiets triviaals als een pomp nodig zou kunnen
hebben. Die neemt de mechanicien wel mee, moet mijn achterhoofd
gedacht hebben. Welnu, dat zal hij ongetwijfeld doen, maar omdat
hij, net als het grootste gedeelte van de ploeg, pas een dag
later arriveert, moest ik vanmorgen mijn bandjes oppompen met
een ouderwetse handpomp. Voor de leken onder u: dit vergt enig
geduld, concentratie en kracht. Deze drie eigenschappen bezit ik
allemaal niet of in zeer geringe mate. Ik ging dan ook op pad
met hooguit twee bar in de banden, in de vaste overtuiging dat
ik onderweg wel een fietsenmaker zou tegenkomen om er de nodige
wind in te blazen. Het wemelt hier immers van de fietsers. Jong,
oud, man, vrouw: alles beweegt zich hier op twee wielen.
Bicycles in Beijing: het lijkt hier Amsterdam wel. De wetten van
de logica zeiden me dat al die fietsende Chinezen hun banden ook
moeten oppompen en dat er dus op elke hoek van de straat een
fietsenmaker zou moeten zitten.
Dat bleek een
misvatting. Nadat ik op mijn bijna-lege banden naar de
dichtstbijzijnde drukbevolkte wijk was geslingerd, moest ik
constateren dat de fietsenmakers zich bepaald niet op elke
straathoek bevonden. Ik reed op goed geluk een halfuur lang
kriskras door de stad, daarbij miljoenen fietsers, driewielers,
riksja's en brommertjes ontwijkend, maar een fietsenwinkel vond
ik niet. Nu begrijp ik uiteraard niets van de Chinese tekens op
de borden boven de ontelbare tentjes, maar ik zie wel het
verschil tussen naaimachines en tweewielers. Toen ik het
zevendertigste naaimachinewinkeltje was gepasseerd, was ik het
zat. Ik klampte een vrouw op een prehistorische opoefiets aan (altijd
oppassen: zeg altijd 'ging wen' - 'mag ik u wat vragen' -, in
plaats van gin wen, wat 'mag ik u zoenen' betekent) en probeerde
haar met omstandige pompgebaren duidelijk te maken wat ik zocht.
Of het nu aan mijn belabberde uitspraak van het Chinees lag, of
aan de pompende bewegingen: de vrouw vluchtte lijkbleek weg
zonder iets te zeggen, net als de volgende zes voorbijgangers.
Juist toen ik de moed op wilde geven, werd ik op mijn schouder
getikt door een stokoude Chinees met welgeteld één tand in zijn
mond. Het vuile, grijszwarte haar op zijn kin was zo vlassig dat
het meer leek op een slechte vermomming dan op een serieuze sik.
Hij begon onverstaanbaar hij tegen me aan te praten, maar uit
zijn gebaren meende ik op te kunnen maken dat hij me zou leiden
naar het doel van mijn zoektocht: een pomp. Ondersteund door een
wandelstok hinkelde hij zo snel zijn oude voeten hem konden
dragen voor me uit door smalle straatjes, steeds over zijn
schouder kijkend of ik hem nog volgde. Ik probeerde de route in
me op te nemen, maar na enkele minuten en talloze links-rechts
combinaties door de donkere, kronkelende steegjes, waande ik me
in het labyrint van koning Minos. Het rook er naar gebakken kip,
verrot fruit en regenwater. Elk huisje waar ik naar binnen keek,
werd bevolkt door minstens drie families. Vrouwen hingen de was
op in de smalle straatjes, terwijl hun kinderen in de goot
speelden met de zwerfhonden. Televisies en baby's loeiden om het
hardst. Ik wurmde me langs een man op een gemotoriseerde
driewieler met aanhanger vol met meloenen, zwaaide naar een
klein meisje dat me aankeek alsof ik banaan op een skateboard
was en probeerde het vuile gootwater te ontwijken om mijn
schoenen wit te houden.
We passeerden
een houten poortje dat zo laag was, dat ik mijn hoofd moest
inhouden om me niet te stoten. De oude man gebaarde me te
wachten en sloeg een hoek om. Even later kwam hij triomfantelijk
aanstrompelen met een langwerpig voorwerp. Hij droeg het alsof
het een pasgeboren kind was. Voorzichtig overhandigde hij het
kleinood aan me en lachte zijn tand bloot. Ik zette mijn
zonnebril op mijn voorhoofd en staarde naar het stuk ijzer in
mijn handen. Het was inderdaad een pomp. Althans, dat was het
ooit geweest. Nu leek het meer op de overblijfselen van een
zojuist opgegraven Romeins landbouwwerktuig. De pompstang was zo
krom als een hoepel en de mate van corrosie deed me vermoeden
dat een mammoettanker met coca-cola nog niet genoeg zou zijn om
de roest te laten verdwijnen.
Ik draaide de
pomp een paar keer in mijn handen, constateerde dat het rubber
niet geschikt was voor een Frans ventiel en schudde mijn hoofd.
"Bu hao", zei ik, wat zoveel betekent als 'niet goed'. De man
keek me verrast aan. Geïrriteerd ook. Om mijn woorden te
onderstrepen zette ik het rubber tegen mijn ventiel en
demonstreerde hem dat de pomp geen lucht in mijn bandjes zou
kunnen blazen. "Bu hao", zei ik nogmaals, met spijt in mijn
stem. Eventjes staarde de man naar de pomp in mijn handen. Toen
barstte hij uit in woede.
"Bu hao?!
BU HAO?!!!"
Zijn hoofd liep rood aan. Hij perste zijn lippen zo hard samen
dat het bloed eruit verdween. Een druppel slijm liep uit zijn
mondhoek. Hij hief zijn wandelstok voor een uithaal naar mijn
hoofd, maar bedacht zich op het laatste moment. Met trillende
handen griste hij zijn kostbare pomp uit mijn vingers en liep
vloekend en tierend weg.
Verbouwereerd
keek ik hem tot hij de hoek omsloeg. Toen besefte ik dat mijn
gids in dit doolhof was verdwenen. Ik stapte op mijn fiets en
reed achter hem aan, maar toen ik aan het eind van het steegje
was en rechts afsloeg, was hij nergens meer te bekennen.
"Hallo!", schreeuwde ik, "Oude man! Waar bent u? Het spijt me!"
Maar de oude man liet zich niet meer zien. Een jonge moeder met
een huilende baby op haar arm staarde me aan. Aan haar rok hing
een kleuter met een enorme snottenbel.
"Do you know the way out?" probeerde ik.
Ze haalde haar
neus op en lachte. Daarna draaide ze zich om, stapte haar huis
binnen en trok de deur dicht.
Beduusd keek ik
om me heen en trachtte me tevergeefs te oriënteren. Het steegje
leek nog donkerder dan daarnet. Een kille bries deed me rillen.
Plotseling voelde ik me heel alleen.
Reageren? Laat een berichtje achter in het
gastenboek... |
|
|
|
|
7 mei 2007 |
|
Nostalgie
Je kunt het
nostalgie noemen. Sentiment. Oude beelden, die uit stoffige
uithoeken van mijn geheugen opduiken als verloren gewaande,
vergeten en vergeelde foto’s bij het opruimen van de zolderkast.
Herinneringen aan vervlogen tijden.
Maar je kunt
het ook zottenwerk noemen. De hele dag dokkeren over steentjes
en kasseien. Op de kant hangen, starend naar het wiel van je
voorganger, in de hoop dat hij de slecht geparkeerde auto’s,
verkeersheuvels, gaten en paaltjes tijdig aangeeft. Het geluid
van versplinterende spaken, krakende botten en klapperende
tanden. De geur van verschroeid vlees op het asfalt. Zere handen
van het remmen, een schorre stem van het schreeuwen, schelden en
tieren.
Ik heb ze niet
gemist, de Nederlandse wedstrijden. Verre van dat zelfs. Na meer
dan drie jaar afwezigheid maakte ik afgelopen weekend mijn
opwachting in De Ronde van Overijssel en de Omloop der Kempen.
Monumenten in de Nederlandse wielrennerij, mankementen in de
internationale. Het keren en draaien, de steentjes en de nimmer
aflatende wind: buitenlandse renners hebben een bloedhekel aan
koersen in ons platte land.
Ik kan ze geen
ongelijk geven. Alhoewel ik me in beide koersen zonder
noemenswaardige problemen in de eerste groep wist te handhaven,
heb ik geen moment het gevoel gehad een wielerwedstrijd te
rijden. Meer een soort van real-life Playstationkamikazekoers.
Ik moet dan ook bekennen dat ik mij achteraf gelukkig prees dat
ik het weekeinde heelhuids had doorstaan.
Want nostalgie
of geen nostalgie: als ik over een jaar of tien de zolderkast
nog eens opruim, dan zie ik mezelf graag lachend op foto’s terug.
Met al mijn tanden in mijn mond.
Reageren? Laat een berichtje achter in het
gastenboek... |
|
|
|
|
|
|
Nieuwsindex 2007
Nieuwsindex 2006
Nieuwsindex 2005
Nieuwsindex 2004
Nieuwsindex 2003 |