Home

Biografie

Nieuws

Uitslagen

Programma

Foto's

Links

Gastenboek

Contact

Echte Mannen (Column uit HD/LD van oktober) 

Zowaar. Ze bestaan nog, echte kerels. Mannen van stavast. Bikkels met brede kaken.

Zie ze staan, bij het spelen van het volkslied. Stuk voor stuk breedgeschouderd, ongeschoren en met littekens op de jukbeenderen. Hard en vals zingen ze mee met hun nationale hymne, de hand op het hart. Ze zouden sterven voor het vaderland, mocht dat nodig zijn. Graag zelfs. Een eervollere dood bestaat niet.

Voor de wedstrijd begint kijken ze de tegenstander nog even diep in de ogen. Haat weerspiegelt in hun blikken. Grommend nemen ze hun plek op het veld in. Spugen grote klodders op het gras. Eentje roffelt op zijn borstkas. Een ander slaat zichzelf een paar keer in het gezicht. Rugby is geen sport voor watjes. Rugby is voor echte mannen.

De wedstrijd is een aaneenschakeling van loeiharde tackles, botsende lijven, krakende botten en scheurende spieren. De meest akelige blessures vullen het televisiebeeld. Dit is niet geschikt voor jeugdige kijkers. Bloed stroomt uit oren, neuzen en wenkbrauwen. Niemand valt uit. Echte mannen spelen altijd door.

Het veld wordt vakkundig omgeploegd door een stel wildemannen, in hun medogenloze strijd om een ovale bal. Het lijken wel neanderthalers, met nylon shirtjes in plaats van een ijsbeerbontjas. Vooral bij de Franse ploeg loopt er één rond, die zo uit de teletijdmachine lijkt te zijn gestapt. Chabal heet hij. Drie meter hoog, twee meter breed, een baard waarin de resten van zijn ontbijt (een rauwe koe met paardenmelk) nog zichtbaar zijn. Zijn ogen spuwen vuur. Als een dolle buffel rent hij over het gras, op zoek naar Engelse lichamen die nog niet gebroken zijn. Bij elke ingooi torent hij hoog boven zijn opponenten uit. Hij is een menselijke Eiffeltoren. Hij blokt, hij rolt, hij wurgt, alles vertrappend wat in zijn weg komt. Wie zegt dat Fransen allemaal softies zijn? De Britten vechten terug met alles wat ze hebben. Hun trots. Hun leven.

Het publiek joelt. Zingt. Juicht. Vloekt. De aartsvijand moet verpletterd worden. Vergeet die Europese Grondwet, de harmonieuze samenwerking tussen de beide landen, het verdrag van Versailles en dat van Genève. Dit is de halve finale van het WK Rugby. Dit is oorlog.

Tachtig minuten lang beuken de soldaten op elkaar in. Dan is het ineens over. De scheidsrechter, die deze slachting leidde, pakt de bal en loopt het veld af. Onmiddellijk verandert de sfeer. Strijders worden weer spelers. De bezeten blik in de ogen is verdwenen. Zelfs Chabal lijkt weer op een mens. Eentje uit de Middeleeuwen, maar toch. Hij bonkt een Engelse tegenstander op zijn schouder. De spelers klappen voor elkaar. Eentje doet een elastiekje in zijn haar. Leuke paardenstaart. Hip wel. Een ander blaast een kushandje naar zijn vriendinnetje op de tribune. De aanvoerder van de Engelsen huppelt als een veulentje over de sintelbaan, blij met de overwinning. Hij huilt. Veegt het water uit zijn ogen met zijn shirt. Op zijn arm staat een tatoeage: ‘I love mommy’.  Ook de Franse captain heeft tranen in zijn ogen. Verliezen doet pijn. En mannen huilen ook. Zelfs de echte.  

Reageren? Laat een berichtje achter in het gastenboek.

 

De Clown (column uit het LD/HD van 8 oktober) 

Niemand wilde op doel. Zoals gewoonlijk. De opstelling werd bepaald aan de hand van kwaliteit. De beste spelers stonden in de spits, de iets mindere op het middenveld, en de slechtste achterin. De plek tussen de palen was weggelegd voor de clown. De hark. De prutser.

Voor hem was de keuze simpel. Op doel, of niet meedoen. Een lange, onhandige slungel was hij. En dus nam hij zijn rol voor lief. Keek hij toe op afstand, als doelman, terwijl zijn vriendjes pingelden, schoten en scoorden.

Aandacht kreeg hij nooit. Een keeper is in Brazilië net zo belangrijk als de cornervlag of de dug-out. Ze zijn er, maar daar is ook alles mee gezegd. De doelman haalt de bal uit het net na een schitterend doelpunt van een onnavolgbare aanvaller. Dat is zijn taak. Zijn lot.

Ze zijn zelfs een beetje gehaat, keepers. Zeker in Brazilië. Ze houden ballen tegen van de vedettes van het veld. Niemand wil zien hoe Romario, Ronaldo, Pele en Zico een doelpunt wordt ontzegd door een nietsnut van een doelman. Destructieve brekers zijn het, die keepers. Ze helpen het voetbal naar de knoppen met hun reddingen. En als ze falen, zijn het schlemielen. Net zoals de keeper van het Braziliaanse elftal, die op het WK van 1950 een bal doorliet, die de Kanaries de titel kostte. Tot op de dag van vandaag is hij de meest gehate man van het land.

De lange slungel in het doel leerde het te accepteren. Nou ja, een beetje toch. Hij bleek lang niet zo’n slechte keeper als gedacht. Hij haalde zelfs het eerste van Cruzeiro en Corinthians, en maakte daarna de oversteek naar Europa. Nu speelt Dida voor AC Milan en is hij doelman van het nationale elftal. Niet slecht voor een prutser die op het trapveldje nog geen twee keer kon hooghouden.

Maar diep in hem smeulde nog steeds het verlangen. Het verlangen van ieder Braziliaans jongetje. Het verlangen naar dat beslissende doelpunt in de laatste minuut. De virtuoze omhaal in de kruising. De beslissende Schwalbe in het strafschopgebied van de tegenstander. Het verlangen naar aandacht.

Afgelopen woensdag stonden de schijnwerpers ineens op hem gericht. In de blessuretijd van de Champions Leaguewedstrijd tussen Celtic en Milan kwam een Schotse toeschouwer het veld op gerend. Het was zojuist 2-1 voor de Schotten geworden en de fan wilde Dida de achterstand inwrijven door hem een tikje onder zijn kin te geven. De doelman reageerde furieus. Hij rende achter de man aan. Na enkele stappen bedacht hij zich. Dit was zijn moment. Eindelijk. Als een stervende zwaan zeeg hij ineen, denkend aan de straf van de UEFA voor Celtic (een reglementaire 0-3 nederlaag). Hij zou de overwinning hoogstpersoonlijk bij Milan bezorgen. Hij zou de held zijn.

Een minuut of vijf duurde het. Toen werd de herhaling uitgezonden en zag de hele wereld dat Dida toneelspeelde. Iedereen lachte hem uit, terwijl hij van het veld gedragen werd. In de kleedkamer stond hij op van de brancard. Het gelach weerklonk in de coulissen van het stadion. Hij was weer wie hij altijd was geweest. Een clown.

Reageren? Laat een berichtje achter in het gastenboek.

 

 

Nieuwsindex 2007

Nieuwsindex 2006

Nieuwsindex 2005

Nieuwsindex 2004

Nieuwsindex 2003