|
Op zoek naar het
engeltje (Column LD)
Hans van Breukelen,
oud-keeper van het Nederlands Elftal en PSV, scheen er één te
hebben. Een engeltje. Urenlang heb ik zitten turen naar een
klein wezentje op de lat van zijn doel, maar ik heb hem nooit
kunnen ontdekken. Pas jaren nadien begreep ik dat het slechts
een uitdrukking was om de mazzel van Hans te omschrijven. Maar
dat maakte de situatie niet minder onrechtvaardig dan ze was.
Wie of wat het ook deed, het engeltje of het geluk van Van
Breukelen, feit bleef dat PSV ermee won en Ajax niet. En dus
pijnigde ik mijn hersenen nachtenlang, liggend onder mijn
Ajax-dekbed, zoekend naar manieren om het engeltje over te halen
bij Stanley Menzo op de lat te gaan zitten.
De zoektocht naar
het engeltje is niet alleen voor kleine kinderen. Volwassen
(top)sporters hebben vaak een dagtaak aan het afdwingen van hun
geluk in de wedstrijden. Allah, God, Visjnoe, Brahma, Jahweh en
Thor: ze worden overstelpt door verzoeken van hun aanhangers om
toch vooral hen of hun ploeg te laten winnen.
Naast deze min of
meer gangbare vormen van religie, bestaan echter nóg tientallen
methoden om Vrouwe Fortuna te verleiden. Wie de kleedkamerdeur
enige minuten vóór aanvang van een willekeurige sportwedstrijd
opent, betreedt de wereld van de meest vreemde rituelen
denkbaar. Voetballers die weigeren met een schone onderbroek het
veld in te gaan, honkballers die hun knuppel met wijwater
besprenkelen en in ieder bierelftal is een permanente veldslag
gaande over wie met rugnummer 14 mag spelen.
Wielrenners zijn
waarschijnlijk de meest (bij)gelovige lieden van alle sporters.
Koersen met binnenstebuitengekeerde handschoentjes, afgetrapte
sokken met gaten erin ('omdat ik daar vorig jaar een keer mee
gewonnen heb') of een gelukspetje: doodnormaal. En niemand wil
uiteraard starten met rugnummer 13, tenzij ondersteboven
opgespeld. Echter, ik heb mijn collegarenners voor de wedstrijd
dingen zie doen, die ik niet zou geloven als ik het niet met
eigen ogen had gezien. Van het drinken van duivenurine (ga je
van vliegen, schijnt) tot de meest ranzige toilettaferelen, waar
ik terwille van uw en mijn eetlust niet verder op in zal gaan.
Ik hou het erbij dat sommigen heel wat voor over hebben voor een
meeliftend engeltje op de bagagedrager. De standaardreactie op
dit soort gedrag: "Ach, ik geloof nergens in. Heb ik toch niet
nodig. 't Is een gewoonte, meer niet."
En ik? Ik vind het
allemaal de grootste onzin die er is. Ik open mijn tas, doe aan
wat ik wil en waar ik zin in heb en stoor me aan geen enkele
bovennatuurlijke macht. Ik heb het toch niet nodig. Natuurlijk
trek ik mijn linkersok aan vóór mijn rechter-, rij ik nooit
zonder petje onder mijn helm, doe ik mijn broek met dat rare
streepje op de linkerzijkant aan als het er écht om gaat, eet ik
nooit een oneven aantal abrikozen vóór de start, pomp ik mijn
banden nóg een keer op om te checken of er wel écht 8,9 bar in
zit, wil ik geen bidons met blauwe dop, omdat ik daarmee de
vorige keer ben gevallen en ga ik nooit als eerste de kleedkamer
uit. Maar da's allemaal slechts uit gewoonte, meer niet. |