|
Afzien in
een Luie Stoel
Genoegzaam
wreef ik in mijn handen, toen gisterochtend het startschot van
het WK Wielrennen klonk op het pittoreske Mirabelplatz van
Salzburg. Ik had me grondig voorbereid. De luie stoel stond in
pole position voor de tv, het voetenbankje op ideale hoogte en
de stekker van de telefoon uit het stopcontact. Daarnaast had ik
alle benodigheden binnen handbereik opgesteld: van de zapper en
de reservebatterijen tot de roze koeken voor de onvermijdelijke
hongerklap. Rechts van mijn stoel de volle flessen (fris)drank
en links de lege. Opstaan voor toiletbezoek is immers uit den
boze.
Het is ieder
seizoen mijn piekmoment van het jaar. In topvorm zit ik klaar
voor de start en niet zonder trots kan ik melden dat ik het
afgelopen decennium geen minuut van de gemiddeld zo'n zeven uur
durende koers heb gemist. Dat pieken is overigens geen loze
maatregel: er is een topconditie nodig om de eerste zes uur van
de wedstrijd niet de aandacht te verliezen en weg te dommelen
bij het slaapverwekkende commentaar van de heren van de NOS. Ik
prefereer daarom vaak onze zuiderburen, waar Michel Wuyts vol
vuur en respect de ereplaatsen opsomt van de lossende Egyptenaar
in de eerste ronde.
Het WK betekent
wachten. De koers duurt een eeuwigheid en wie zijn kruit te
vroeg verschiet, is verloren. Linkeballen moet je, het bordje
van een ander eerst leegeten om in de finale messcherp te kunnen
toeslaan. Dat geldt overigens ook voor de renners.
De koers
verloopt volgens een standaard draaiboek. Elk jaar hetzelfde. Zo
hoort het ook. Wielrennen is een sport van tradities en die zijn
er om in stand te worden gehouden. En dus kijken wij,
toeschouwers, een uur of wat naar een wandelend peloton,
lossende Kenianen en een eenzame Bulgaar op kop. De beste
Vassily Dmrtvkrkov krijgt een minuutje of tien voorsprong, die
vervolgens als sneeuw voor de zon verdwijnt als de grote mannen
na een kilometer of honderdvijftig hun helpers naar voren
beginnen te sturen.
Dan begint de
tactische fase. Als schakers spelen de kopmannen en bondscoaches
met hun stukken. Er wordt geofferd, er wordt gebluft en er
worden smerige dealtjes gesloten. Achterkamertjeswielrennerij,
zogezegd.
In de finale
maken de grote mannen onder elkaar uit wie het hele jaar zijn
rugnummers op een regenboogtrui mag spelden. Tegen die tijd zit
ik al aardig stuk. De afstand, de klimmetjes en de
tempowisselingen beginnen zijn tol te eisen. Op mijn tandvlees
probeer ik het tempo te volgen, op het puntje van mijn stoel. De
man met de hamer zwaait met zijn moker. Mijn ogen prikken, het
zweet staat in mijn handen en mijn huid begint doorzitplekken te
vertonen. Als de winnaar de finish passeert, zijg ik ineen.
Uitgemergeld ben ik, steenkapot.
Terwijl de
nieuwe wereldkampioen wordt gehuldigd, aanschouw ik, half bij
bewustzijn, de ravage van zeven uur koers. Mijn tere lichaampje
ligt temidden van koekresten, plastic verpakkingen en flessen
met dubieuze inhoud. Het ruikt naar kots, urine en verschraalde
coca-cola. Intens tevreden zak ik weg in een bodemloze slaap.
Reageren? Laat een
berichtje achter in het
gastenboek... |